ECLI:NL:HR:2010:BO5001
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt landbouwvrijstelling voor hectaretoeslag als tegenprestatie bij verkoop landbouwgrond
Belanghebbende, die samen met zijn echtgenote een agrarische onderneming dreef, verkocht percelen landbouwgrond aan Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) om in aanmerking te komen voor een hectaretoeslag subsidie van de Dienst Landelijk Gebied (DLG). De vraag was of deze subsidie onderdeel uitmaakt van de winst die onder de landbouwvrijstelling van artikel 3.12, lid 1, Wet IB 2001 valt.
De Rechtbank Leeuwarden had de aanslag inkomstenbelasting verminderd, maar het Hof verklaarde het principale hoger beroep ongegrond en oordeelde dat de subsidie geen deel uitmaakt van de koopsom en dus niet onder de landbouwvrijstelling valt. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de subsidie als tegenprestatie voor de levering van de grond moet worden beschouwd, omdat deze voortvloeit uit de overeenkomst tussen belanghebbende en BBL en de doelstelling van de regeling.
De Hoge Raad stelt vast dat de waarde van de grond voor de landbouwvrijstelling moet worden gesteld op € 890.440 en vermindert de aanslag dienovereenkomstig. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat de hectaretoeslag subsidie integraal onderdeel is van de verkoopprijs en dus onder de landbouwvrijstelling valt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat de hectaretoeslag subsidie onderdeel is van de tegenprestatie voor de verkoop van landbouwgrond en onder de landbouwvrijstelling valt.