ECLI:NL:PHR:2012:BY6886
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing bij onttrekking bouwkavel en Rbb-vergoeding in agrarische onderneming
Belanghebbende dreef samen met haar echtgenoot een agrarische onderneming in maatschapsverband. Bij staking van de onderneming onttrok zij een bouwkavel aan het ondernemingsvermogen en ontving een vergoeding uit de Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging (Rbb). Het geschil betrof de vraag of de onttrekking van de bouwkavel belast is en of de Rbb-vergoeding onbelast kan blijven.
De Hoge Raad bevestigde dat belanghebbende zich op grond van het gelijkheidsbeginsel kan beroepen op het besluit van 8 maart 2006, dat agrarische ondernemers de mogelijkheid biedt om een bouwkavel als privévermogen te rekenen onder voorwaarden. De landbouwvrijstelling geldt voor het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) als cultuurgrond en als bouwgrond. Er is echter geen goedkeuring voor vrijstelling van waardesprong van WEVAB ondergrond woning naar WEV ondergrond woning.
Ten aanzien van de Rbb-vergoeding oordeelde de Hoge Raad dat deze vergoeding, inclusief de component voor belastingschade, deel uitmaakt van de tegenprestatie voor de levering van de grond en derhalve volledig belast is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel om de vergoeding onbelast te laten blijven, vanwege vergelijking met de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000, faalde wegens wezenlijk verschillende doelstellingen van de regelingen. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een vergoeding voor eerder of meer geheven belasting.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond en verwees het geding terug voor nadere vaststelling van de waarde van de bouwkavel rekening houdend met het besluit van 8 maart 2006.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en het geding verwezen voor nadere vaststelling van de waarde van de bouwkavel; de Rbb-vergoeding blijft volledig belast.