ECLI:NL:HR:2010:BM3914
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Verjaring vordering uit vaststellingsovereenkomst en toepasselijkheid art. 3:316 BW na vernietiging arbitrale uitspraak
In deze zaak staat centraal de vraag of een vordering uit een vaststellingsovereenkomst is verjaard en of de verjaring door arbitrage is gestuit. Partijen sloten in 1994 een minnelijke regeling over aandelenoverdracht, waarbij de koopprijs door drie registeraccountants moest worden vastgesteld. De vaststelling van de prijs was een opschortende voorwaarde voor de opeisbaarheid van de verbintenissen.
Na het mislukken van de regeling werd in 1996 arbitrage overeengekomen, waarbij een vonnis werd gewezen dat de wederpartij tot betaling veroordeelde. Dit arbitrale vonnis werd in 2002 vernietigd wegens strijd met fundamentele procesrechten. Vervolgens startte eiser in 2003 een procedure tot betaling, die door verweerder werd bestreden met een beroep op verjaring.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de vordering verjaard was en dat de arbitrale procedure de verjaring niet had gestuit. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het hof eiser niet-ontvankelijk verklaarde in hoger beroep tegen het tussenvonnis en verwijst de zaak naar het hof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn aanvangt bij directe opeisbaarheid van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst en dat art. 3:316 BW Pro ook van toepassing is indien een arbitrale uitspraak wordt vernietigd, mits binnen zes maanden na kracht van gewijsde een nieuwe eis wordt ingesteld.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd voor zover eiser niet-ontvankelijk is verklaard in hoger beroep tegen het tussenvonnis en de zaak wordt verwezen naar het hof te 's-Gravenhage; het beroep wordt voor het overige verworpen.