ECLI:NL:HR:2010:BK0915

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01725
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet-ontvankelijkheid hoger beroep en ontbreken verklaring verdachte in proces-verbaal

Op 30 maart 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 26 oktober 2007. De verdachte was niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hij niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen hoger beroep had ingesteld, ondanks zijn kennis van de zittingsdatum.

Het cassatiemiddel klaagde over het ontbreken van de verklaring van verdachte in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel uitgaat van een feitelijke situatie die niet in cassatie kan worden onderzocht, omdat cassatie geen plaats biedt voor feitelijke toetsing.

De Hoge Raad concludeerde dat het middel feitelijke grondslag mist en niet tot cassatie kan leiden. Ook het tweede middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid in hoger beroep en ontbreken van verklaring in het proces-verbaal.

Uitspraak

30 maart 2010
Strafkamer
nr. 08/01725
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 oktober 2007, nummer 21/003068-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G.T. Klooken, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, aangezien in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet de verklaring van de verdachte is opgenomen.
2.2. Het proces-verbaal van voormelde terechtzitting houdt in dat de verdachte aldaar aanwezig is, en voorts:
"De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De advocaat-generaal merkt op -zakelijk weergegeven-:
Ik constateer een probleem met de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep. Verdachte was bekend met de dag ter terechtzitting in eerste aanleg. Dit blijkt uit het feit dat verdachte op 3 juni 2007 een brief heeft verstuurd met een verzoek om aanhouding van de behandeling van zijn zaak op 6 juni 2007. Hij heeft echter niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen hoger beroep ingesteld.
Ik concludeer dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in zijn hoger beroep.
Voorts legt de advocaat-generaal de vordering over aan het hof.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
Het hof verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen."
2.3. Het middel gaat ervan uit dat ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte een verklaring is afgelegd. Dit kan in cassatie niet worden onderzocht omdat het een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.
2.4. Het middel mist feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 maart 2010.