ECLI:NL:PHR:2010:BK0915

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01725
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SvArt. 408 lid 3 sub b SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens termijnoverschrijding hoger beroep bevestigd

In deze zaak heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter, maar dit hoger beroep werd door het Gerechtshof te Arnhem niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de wettelijke termijn van veertien dagen na uitspraak was ingediend.

De verdachte voerde in cassatie twee middelen aan: ten eerste dat het onderzoek ter terechtzitting nietig zou zijn omdat zijn verklaring niet in het proces-verbaal was opgenomen, en ten tweede dat hij niet tijdig op de hoogte was van de uitspraak en dat er sprake was van een verzoek tot aanhouding van de zitting.

De Hoge Raad verwierp beide middelen. Het eerste middel faalt omdat het feitelijk onderzoek naar de verklaring van verdachte niet in cassatie kan worden gedaan. Het tweede middel faalt omdat de wettelijke termijn voor hoger beroep duidelijk is en het hof geen redenen vond om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

De Hoge Raad concludeert dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is en bevestigt het arrest van het hof zonder nadere motivering. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 08/01725
Mr. Knigge
Zitting: 13 oktober 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 26 oktober 2007 niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens de verdachte heeft mr. Klooken, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting van het Hof nietig is, aangezien de verklaring van de verdachte niet in het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 26 oktober 2007 is opgenomen.
4. Onder verwijzing naar Hoge Raad 9 januari 2007, NJ 2007, 53 meen ik dat dit middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.
5. Het tweede middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.
6. Het Hof heeft ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de verdachte als volgt opgemerkt.
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Verdachte was, blijkens zijn brief van 3 juni 2007 van te voren op te hoogte van de terechtzitting in eerste aanleg op 6 juni 2007. De kantonrechter heeft op die zitting vonnis gewezen. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, dient verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof acht geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maken."
7. De steller van het middel stelt dat de verdachte bij brief van 3 juni 2007 om aanhouding van de zitting van 6 juni 2007 heeft verzocht en er daarom geen rekening mee hoefde te houden dat de rechtbank al op 6 juni 2007 vonnis zou wijzen. Verdachte is voorts, aldus de steller van het middel, pas op 20 juli 2007 bekend geworden met het eindvonnis. Gezien het vorenstaande had het Hof zijn beslissing tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de verdachte nader moeten motiveren.
8. Onder verwijzing naar art. 408 lid 3 sub b Sv Pro en Hoge Raad 6 januari 2004, NJ 2004,181 meen ik dat dit middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.
9. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG