Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verzoeker opzettelijk heeft beledigd een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening door hem in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden toe te voegen “Je kunt niet eens jongen maken”. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst drie klachten.
tweede middelvalt in twee klachten uiteen. De eerste in het middel vervatte klacht houdt in dat het Hof in de aanvulling op zijn verkort arrest ten onrechte als bewijsmiddel voor het onder 2 ten laste gelegde heeft opgenomen de verklaring van verzoeker, gelet op het feit dat het Hof in het verkort arrest heeft overwogen dat deze verklaring niet tot het bewijs zal worden gebezigd.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding, voor zover inhoudendehet relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1];
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudendede verklaring van verdachte;
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudendehet relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1].”16. Uit het voorgaande blijkt dat het Hof tegenstrijdig met zijn overweging dat de door verzoeker ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen niet tot het bewijs zullen worden gebezigd, die verklaring als bewijsmiddel 6 ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft opgenomen in de aanvulling op dat arrest. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte en in strijd met art. 14c (oud) Sr aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken de algemene voorwaarde heeft verbonden dat die gevangenisstraf ook ten uitvoer kan worden gelegd indien verzoeker voor het einde van de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden.
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.”
LJNAX1662, NJ 2008/52 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad op een vordering tot cassatie in het belang der wet beslist dat de in die zaak in het geding zijnde wijziging van het sanctiestelsel (art. 14a Sr) geen verandering van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr is en dat het Hof derhalve ten onrechte toepassing had gegeven aan de meest recente strafbepaling. In de voorliggende zaak van verzoeker doet zich een vergelijkbare situatie voor. De algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking moet verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken dan wel het ter inzage aanbieden van een identiteitsbewijs, is in werking getreden nadat het bewezen verklaarde feit is begaan. Uit genoemd arrest volgt, lijkt mij, dat de (toen) nieuwe algemene voorwaarde nog niet kon worden verbonden aan een voorwaardelijke veroordeling voor een feit dat vóór de wijziging van art. 14c Sr is begaan. Het middel klaagt daarover terecht. Maar ook hier behoeft dat mijns inziens niet tot cassatie te leiden, indien het volgende voorstel van mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie voorafgaand aan HR 5 februari 2013, LJN BZ0502 wordt gevolgd [5] :
vierde middelklaagt dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, nu tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.