ECLI:NL:PHR:2008:BC0384
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Streng schriftelijkheidsvereiste voor geldigheid concurrentiebeding in arbeidsvoorwaarden
In deze zaak staat centraal of een werknemer schriftelijk akkoord kan gaan met een concurrentiebeding door enkel een brief te ondertekenen waarin wordt verwezen naar arbeidsvoorwaarden waarin het beding is opgenomen. De werknemer had een brief van de werkgever ondertekend waarin werd verwezen naar gewijzigde arbeidsvoorwaarden met een concurrentiebeding, maar de arbeidsvoorwaarden zelf waren niet ondertekend.
De kantonrechter had de vordering van de werknemer tot schorsing van het concurrentiebeding toegewezen, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de ondertekening van de brief voldoende schriftelijke instemming inhield. De Hoge Raad stelt dat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 BW Pro strenger is dan een normale akkoordverklaring en dat een enkele ondertekening van een verwijzende brief onvoldoende is om het concurrentiebeding rechtsgeldig te doen zijn.
De Hoge Raad benadrukt dat het concurrentiebeding een zware beperking voor de werknemer inhoudt en dat de werknemer zich bewust moet zijn van de consequenties. Daarom is vereist dat het beding zelf schriftelijk is overeengekomen, bijvoorbeeld door ondertekening van het document waarin het beding is opgenomen of door een ondubbelzinnige schriftelijke instemming met het beding. De zaak wordt vernietigd en de eerdere beslissing van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het concurrentiebeding is niet rechtsgeldig overeengekomen omdat de werknemer niet ondubbelzinnig schriftelijk akkoord is gegaan met het beding.