ECLI:NL:HR:2006:AX9709

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R05/151HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarig kind

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om de minderjarige dochter van verzoekster onder toezicht te stellen en machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing. De kinderrechter stelde de dochter onder toezicht en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden, later verlengd tot zes maanden. Verzoekster, de moeder, stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof, dat de beschikking van de kinderrechter bekrachtigde.

De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van belang. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de termijn van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing inmiddels was verstreken, waardoor de moeder geen belang meer had bij het beroep.

De beslissing werd genomen door de raadsheren Aaftink, van Schendel, Bakels en uitgesproken door Numann op 1 september 2006. Er werd geen inhoudelijke beoordeling van de zaak gegeven vanwege de niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsingstermijn.

Uitspraak

1 september 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/151HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Assen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
e n t e g e n
1. STICHTING BUREAU JEUGDZORG DRENTHE,
gevestigd te Assen,
2. [Belanghebbende 2],
wonende te [woonplaats],
BELANGHEBBENDEN IN CASSATIE,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift van 2 december 2004 heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Raad voor de Kinderbescherming - zich gewend tot de kinderrechter in de rechtbank te Assen en verzocht de minderjarige dochter van verzoekster tot cassatie, te weten: [de dochter], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004 - verder te noemen: de dochter - onder toezicht te stellen voor een periode van één jaar, alsmede de dochter voorlopig onder toezicht te stellen van belanghebbende in cassatie sub 1 - verder te noemen: BJD - voor de duur van drie maanden en verzocht een machtiging uithuisplaatsing in een residentiële voorziening, dan wel een voorziening voor pleegzorg af te geven voor een periode van drie maanden.
Bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, van 2 december 2004 heeft de kinderrechter de dochter voor een termijn van drie maanden onder toezicht gesteld, een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing voor de tijd van drie maanden verleend en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 7 februari 2005 advies uit te brengen.
De kinderrechter heeft, na een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 februari 2005 en een schrijven van belanghebbende in cassatie sub 2, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, van 2 maart 2005 de dochter onder toezicht van BJD gesteld, met ingang van 2 maart 2005 tot 2 september 2005 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor hetzelfde tijdvak.
Tegen deze beschikking heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 19 augustus 2005 heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 13 juli 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De duur van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter is door de rechtbank bij haar door de bestreden beschikking bekrachtigde beschikking bepaald op een half jaar, zodat deze termijn inmiddels is verstreken. Om deze reden heeft de moeder geen belang bij haar beroep, zodat zij daarin niet kan worden ontvangen.
4. De beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 september 2006.