1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder rekestnummer R06/144HR over de omgangsregeling tussen de vader en het kind, waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Zie o.m. de beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 juli 2006 (R05/01285), rov. 4.1.
3 Zie de bij het inleidend verzoekschrift gevoegde echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Breda van 28 januari 2002.
4 Bij beschikking van eveneens 14 september 2005 (nr. FA RK 04-2818) heeft de rechtbank bepaald dat de vader en [het kind] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op de wijze zoals aan te geven door de stichting.
5 Het hof heeft tijdens die zitting zowel de onderhavige zaak als de zaak met rekestnummer R05/01286 met betrekking tot de omgangsregeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn de moeder en haar advocaat, mw. Van den Dam namens de raad, de vader en zijn advocaat alsmede dhr. Klippel namens de stichting gehoord.
6 In een andere beschikking van dezelfde datum heeft het hof de beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2005 omtrent de omgangsregeling bekrachtigd.
7 Het verzoekschrift tot cassatie is op 26 oktober 2006 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
8 Zie de brief van 20 december 2006 van mr. S.M. Kingma namens de stichting aan de Griffier bij de Civiele Kamer. Deze brief bevindt zich in het griffiedossier.
9 Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271; HR 6 februari 2004, NJ 2004, 250 m.nt. SW; HR 28 april 2006, LJN AV9445.
10 E.P. von Brucken Fock, Cassatieberoep van uithuisplaatsing illusoir?, FJR 1996, p. 89-91; Burgerlijke rechtsvordering (oud), J.E. Doek, art. 944-945, aant. 3.
11 Vgl. bijv. de conclusie vóór HR 1 september 2006, LJN AX9709 (onder 2.1); HR 31 januari 2003, NJ 2003, 271.
12 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 1a; de desbetreffende beschikking van 13 september 2006 - waarin de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [het kind] met ingang van 14 september 2006 heeft verlengd tot 14 september 2007 - bevindt zich in het griffiedossier.
13 HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 66. In de onderhavige zaak is de verlengingsbeschikking ook gemotiveerd
14 Zie voor een bespreking van dit artikel bijvoorbeeld: Personen- en familierecht, J.E. Doek, art. 254, aant. 1 t/m 9; Asser-De Boer, Personen- en familierecht, 2006, nr. 844 e.v.
15 Zie voorts HR 7 oktober 2005, NJ 2005, 564 m.nt. SW.
16 NJ 2002, 4, slot rov. 3.4.
17 NJ 2002, 5, slot rov. 3.4.
18 Ter onderbouwing van zijn oordeel verwijst het hof naar het rapport van de raad van 1 juli 2005. Uit de samenvatting van dit rapport (rov. 4.3, slot) blijkt het volgende: "De raad is van mening dat het belang van [het kind] geschaad wordt en dat [het kind], door het negatieve beeld dat haar van haar vader wordt ingeprent, in haar ontwikkeling dermate wordt bedreigd dat hulpverlening geïndiceerd is. Deze hulpverlening, die slechts in het kader van een ondertoezichtstelling kan worden geboden, moet gericht zijn op bijstelling van het beeld dat [het kind] van vader heeft en uiteindelijk op de normalisering van de relatie en de contacten tussen [het kind] en de vader."
19 De tweede klacht van het tweede middel gaat overigens op dit punt wél uit van een juiste lezing.
20 Zie het cassatieverzoekschrift onder 4b.
21 De klacht lijkt - ten onrechte - te veronderstellen dat aangegeven dient te worden welke middelen ter afwending van de bedreiging hebben gefaald en zullen falen.
22 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 4c.
23 Als voorbeeld hiervan wordt genoemd een kind dat als gevolg van ADHD en/of dyslexie en/of gedrag van schoolgenootjes en/of een verkeersongeluk professionele hulp door het GGZ wordt geboden.
24 Zie het verzoekschrift tot cassatie onder 4d.