ECLI:NL:HR:2006:AT3918
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid belastingheffing bij uitzending personeel naar Denemarken volgens Verdrag Nederland-Denemarken
Belanghebbende was in 1995 en 1996 als werknemer van een Nederlandse vennootschap uitgezonden naar Denemarken, waar hij werkzaamheden verrichtte voor de Deense zustermaatschappij. De Nederlandse inspecteur legde aanslagen op inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, waarbij de aftrek wegens elders belast niet werd verleend. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en kende de heffingsbevoegdheid toe aan Nederland.
In cassatie stond centraal of op grond van artikel 14 van Pro het Verdrag Nederland-Denemarken de heffingsbevoegdheid toekomt aan Nederland of Denemarken. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had door de Nederlandse vennootschap als werkgever aan te merken, terwijl de Deense zustermaatschappij als werkgever moet worden gezien omdat belanghebbende daar in gezagsverhouding stond en de loonkosten doorbelast werden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling, met inachtneming van de uitleg dat Denemarken bevoegd is tot heffing. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug met de conclusie dat Denemarken heffingsbevoegd is over de inkomsten uit arbeid in Denemarken.