ECLI:NL:PHR:2008:BB7668
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens opzettelijke schending van geheimhoudingsplicht door gemeenteraadslid
De zaak betreft een gemeenteraadslid en een medeverdachte die in de periode van maart 2003 een geheim rapport, opgesteld door een extern bureau op verzoek van het college van B&W, hebben gedeeld met een derde partij, ondanks de opgelegde geheimhoudingsplicht. De geheimhouding was opgelegd op grond van artikel 25 van Pro de Gemeentewet, waarbij het rapport werd verstrekt met een begeleidende brief met de aanduiding 'persoonlijk en geheim'.
De verdediging stelde dat de geheimhoudingsplicht niet rechtsgeldig was opgelegd omdat het rapport zelf niet expliciet als geheim was gemarkeerd, en dat de verdachten niet opzettelijk handelden omdat zij dachten dat het rapport grotendeels hun eigen informatie bevatte. Het hof verwierp deze verweren, stellende dat de geheimhoudingsplicht ook kan worden opgelegd via een begeleidende brief en dat de verdachten zich bewust waren van de geheimhouding.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de geheimhoudingsplicht rechtsgeldig was opgelegd en dat de bewezenverklaring van opzet voldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de vermelding van geheimhouding op de stukken zelf geen vereiste is voor het ontstaan van de geheimhoudingsplicht en dat de verdachte zich bewust was van de verplichting deze te respecteren. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van het gemeenteraadslid wegens opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht met een geldboete van €500, subsidiair tien dagen hechtenis.