ECLI:NL:PHR:2004:AO8811
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens niet-naleving voorschrift art. 51 Sv bij appèldagvaarding
De verdachte was in hoger beroep veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. De raadsman van verdachte stelde dat hij geen afschrift van de appèldagvaarding had ontvangen, wat in strijd zou zijn met art. 51 Sv Pro. Hoewel geen ontvangstbevestiging van de stelbrief was overgelegd, bestond er een ernstig vermoeden dat de brief wel ter griffie was ontvangen, maar in het proces in het ongerede was geraakt.
Het hof had geoordeeld dat de appèldagvaarding rechtsgeldig was betekend, mede omdat de dagvaarding was uitgereikt aan de griffier van de rechtbank waarbinnen de zaak diende, gezien het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats van verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had gehandeld, maar stelde vast dat het voorschrift van art. 51 Sv Pro niet was nageleefd omdat de raadsman geen afschrift van de oproeping had ontvangen.
De Hoge Raad benadrukte het belang van het voorschrift om de raadsman te informeren, zeker bij hoger beroep, en concludeerde dat door het ontbreken van bewijs van ontvangst van de stelbrief het proces niet volgens de regels was verlopen. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar een ander hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van art. 51 Sv en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.