ECLI:NL:HR:2002:AE8855
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging tenlastelegging bij poging tot afpersing en ontploffingen
In deze strafzaak stond de vraag centraal of een wijziging van de tenlastelegging, waarbij poging tot afpersing werd toegevoegd aan een oorspronkelijke tenlastelegging die ontploffingen betrof, toelaatbaar was. De rechtbank en het hof oordeelden dat er voldoende verband bestond tussen de feitencomplexen, mede gelet op het voorbereidende onderzoek en de verhoren.
De verdachte was in hoger beroep vrijgesproken van poging tot afpersing en veroordeeld voor medeplegen poging tot zware mishandeling en wapendelicten. Het cassatieberoep richtte zich niet tegen de vrijspraak, maar tegen de toelaatbaarheid van de wijziging van de tenlastelegging op grond van artikel 314a Sv.
De Hoge Raad bevestigde dat de regeling van artikel 261 lid 3 Sv Pro in verbinding met artikel 314a Sv een uitzondering vormt op de regel dat de tenlastelegging niet mag wijzigen in een ander feit. Deze uitzondering geldt alleen indien er een voldoende verband bestaat tussen de oorspronkelijke en gewijzigde feiten. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat dit verband aanwezig was niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad zag geen aanleiding tot vernietiging of nadere motivering en verwierp het beroep. Het arrest bevestigt de strikte maar genuanceerde toepassing van de regels omtrent wijziging van de tenlastelegging in strafzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de wijziging van de tenlastelegging is toelaatbaar geacht wegens voldoende verband tussen poging tot afpersing en ontploffingen.