1 Geen rechtsmiddel was ingesteld tegen het deel van het vonnis van de rechtbank waarbij verzoeker van het onder 1 t/m 5 tenlastegelegde werd vrijgesproken.
2 Het betrof voornamelijk brandstichtingen in of bij auto's en/of containers en/of carports.
3 Dit blijkt uit het proces-verbaal van 's hofs zitting in hoger beroep van 7 mei 2009 (p. 1, onderaan).
4 Het subsidiaire verweer - dat overigens ook door het hof is verworpen - hield in dat de officier van justitie door het uitbrengen van de vordering ex art. 314a Sv had gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde c.q. onzorgvuldig had gehandeld, als gevolg waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in de vervolging van verzoeker voor de feiten 6 tot en met 8.
5 De toenmalige minister Van Agt van Justitie schreef: "De moeilijkheid om een (definitieve) telastelegging overeenkomstig de wettelijke eisen op te stellen wanneer het voorbereidende onderzoek nog niet is afgerond, kan worden opgelost door een verruiming van de reeds bestaande mogelijkheid tot wijziging in de loop van het onderzoek op de terechtzitting. In deze oplossing voorzien de ontworpen nieuwe bepalingen van de artikelen 261, laatste lid, en 314a Sv." En: "Het spreekt wel vanzelf dat, na gebruik van deze mogelijkheid, alsnog een volledige telastelegging zal moeten volgen voordat het onderzoek op de terechtzitting wordt gesloten. Hierin voorziet artikel 314a Sv." Zie: Kamerstukken II 1972/73, 9994, nr. 8, p. 4 en 15.
6 Het gaat om de vermelding van feit, tijd, plaats en omstandigheden in de tenlastelegging.
7 Handelingen II 1972/73, 6 juni 1973, p. 1764 respectievelijk p. 1845-1846.
8 Zie ook HR 14 september 2010, LJN BM6904, NJ 2010, 504 en HR 5 november 2002, LJN AE8855, NJ 2003, 317 en nader over deze arresten hierna onder 10.
9 Strikt genomen oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank de verkeerde maatstaf had toegepast en dat het hof de beslissing van de rechtbank ten onrechte had bevestigd.
10 Wat hierbij meespeelde, was dat het hof ten onrechte ook op de grondslag van het door de bedoelde mishandeling gevormde gedeelte van de tenlastelegging had beraadslaagd en beslist.
11 Niet onbelangrijk is in dit verband dat de rechtbank had overwogen dat in de wijziging van de tenlastelegging het afpersingsaspect van het feitencomplex waarvan ook de ontploffingen deel uitmaakten, werd vermeld, en dat afpersing aanvankelijk de achterliggende omstandigheid van de tenlastegelegde ontploffingen was, maar nadien in pogingsvorm afzonderlijk in de wijziging was ten laste gelegd.
12 In G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, 2008, p. 568 valt het volgende te lezen: "Het mag dus een ander feit worden. Dit betekent uiteraard niet dat er iets volkomen anders van mag worden gemaakt. Enige band met het in het bevel gevangenneming of gevangenhouding omschreven feit moet er wel zijn. Die band mag echter los zijn. (...). Het moet alleen niet zo zijn dat door de wijziging elk verband tussen de gedragingen die in het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming zijn omschreven, wegvalt". In de overige vakliteratuur wordt aan dit onderwerp niet of nauwelijks aandacht besteed.
13 Vgl. ook de conclusie van de toenmalige AG Fokkens vóór HR 20 oktober 1998, LJN ZD1261, NJ 1999, 52.
14 Welke zin door de Hoge Raad werd afgezet tegen het oordeel van de rechtbank (zie mijn voetnoot 11).
15 Anders dan mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie vóór dat arrest, wordt door de Hoge Raad niet als factor genoemd dat de aanvullende inbraken aan het licht waren gekomen doordat DNA-onderzoek bij de verdachte in de beginfase een match met de andere inbraken opleverde.
16 Daarmee volgde het hof in wat andere bewoordingen het, hierboven onder 4 vermelde, oordeel van de rechtbank.
17 Als bijlage II gehecht aan het proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank te Almelo d.d. 24 juni 2008.