ECLI:NL:PHR:2012:BV6993

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02377
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding wegens onjuiste betekening aan niet-ingeschreven adres

In deze zaak stond de dagvaarding in hoger beroep ter discussie wegens onjuiste betekening. De dagvaarding was uitgereikt aan het adres van de echtgenote van de verdachte, terwijl het GBA-overzicht aangaf dat de verdachte op dat moment op een ander adres stond ingeschreven. Daarnaast werd een bericht van aankomst achtergelaten op een adres dat eveneens niet het GBA-adres van de verdachte was.

De Hoge Raad oordeelde dat dit niet in overeenstemming is met artikel 588, eerste lid onder b, van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat betekening moet plaatsvinden op het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. De verklaring van de echtgenote dat zij de brief aan de verdachte zou doorgeven, volstaat niet als rechtsgeldige betekening.

De raadsman van de verdachte was weliswaar aanwezig bij de zitting, maar was niet uitdrukkelijk gemachtigd om op te treden, waardoor geen sprake was van geldige betekening via een gemachtigde. De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beslissing en verklaarde de dagvaarding nietig, met het advies om strikt te zijn in de betekening om langdurige procedures te voorkomen.

Uitkomst: De dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard wegens onjuiste betekening op een ander adres dan het GBA-adres.

Conclusie

Nr. 10/02377
Mr Jörg
Zitting 24 januari 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Bij arrest van 17 mei 2010 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens verzoeker heeft mr H.G. Kuipers, advocaat te Deventer, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.
3. Het middel bevat de klacht dat de dagvaarding in hoger beroep niet correct is betekend.
4. Aan het dossier vallen onder meer de volgende, voor de beoordeling relevante, gegevens te ontlenen.
5. Het GBA-overzicht van 3 maart 2010 vermeldt in historische volgorde als adressen:
- vanaf 19 juni 2008 [a-straat 1], [plaats]
- vanaf 26 januari 2010 [b-straat 1], [plaats]
- vanaf 23 februari 2010 [a-straat 1], [plaats] (huidig GBA-adres).
6. In het dossier bevinden zich bij de dagvaarding voor de zitting van 3 mei 2010 twee aktes van uitreiking. De eerste is van 16 februari 2010 en vermeldt dat de dagvaarding op het adres [a-straat 1] [plaats] is uitgereikt aan [betrokkene 1], de echtgenote van verzoeker, die verklaarde de brief onverwijld aan de geadresseerde te zullen doen toekomen. Blijkens het GBA-overzicht was de [a-straat 1] op dat moment niet verzoekers [plaats]se GBA-adres.
7. De tweede akte vermeldt dat op 24 februari 2010 op het adres [b-straat 1] [plaats] een bericht van aankomst van een gerechtelijke brief is achtergelaten omdat ter plaatse niemand werd aangetroffen. (Reeds) op 26 februari 2010 is die brief door een medewerker van het desbetreffende postagentschap geretourneerd aan de afzender, alwaar de brief werd ingeboekt op 3 maart 2010 en op diezelfde dag werd toegezonden aan verzoeker op het adres [b-straat 1]. (Uit de teruggezonden enveloppe blijkt dat op [b-straat 1] in [plaats] camping [A] is gevestigd.) Blijkens het GBA-overzicht was de [b-straat 1] op het moment van het achterlaten van het bericht van aankomst niet verzoekers [plaats]se GBA-adres.
8. Uit het GBA-overzicht kan worden opgemaakt dat verzoeker een kleine maand op een ander adres dan het echtelijke adres ingeschreven is geweest. Op beide momenten van de (poging) tot betekening was het GBA-adres een ander dan het adres waarop de dagvaardingen werden aangeboden. Dat is niet correct, nl. strijdig met het bepaalde in art. 588, eerste lid onder b en ten eerste: uitreiking aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Dit is ook nog eens uitdrukkelijk bepaald in rov. 3.11 van HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2003, 317 m.nt. Schalken. Weliswaar heeft verzoekers echtgenote zeven dagen voordat verzoeker weer werd ingeschreven op het echtelijke adres verklaard dat zij bereid was de gerechtelijke brief onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, maar blijkens die rechtsoverweging biedt de Raad in een geval waarin de dagvaarding op een ander adres werd aangeboden dan dat waarop een verdachte staat ingeschreven, slechts de twee mogelijkheden: (i) uitreiking in persoon of (ii), na achterlating van een bericht van aankomst, aan een mondeling of schriftelijk gemachtigde. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.
9. Weliswaar is ter terechtzitting van 3 mei 2010 de raadsman van verzoeker verschenen, maar deze heeft verklaard niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd voor zijn cliënt op te treden. Aan het uitblijven van een klacht over de betekenisverzuimen kan dus niet de consequentie worden verbonden die in rov. 3.26 van het genoemde arrest is verwoord, aangezien dit uitblijven rechtens niet is vastgesteld.
10. Hoewel zeker niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft gemeend dat verzoeker wel op de hoogte zal zijn geweest van de dag van de terechtzitting is mijn advies aan de feitenrechter altijd: neem nimmer enig risico met de betekening, want dat loopt in cassatie nooit goed af. De zaak is dan al snel een kleine twee jaar ouder voordat de feitenrechter zich er opnieuw over mag buigen. Een nieuwe dagvaardingsronde is aanzienlijk sneller (en goedkoper).
11. Het middel slaagt.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot nietigverklaring van dagvaarding in appèl.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G