ECLI:NL:HR:2001:AB0384
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorlopige machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Assen die een voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verleend. De Hoge Raad verwijst naar eerdere procedures en oordeelt dat de Rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd op voldoende en recente medische informatie, waaronder een geneeskundige verklaring van een psychiater die niet direct betrokken was bij de behandeling.
De Hoge Raad stelt dat de Rechtbank de vordering moest beoordelen op feiten en omstandigheden die golden ten tijde van haar nieuwe beslissing. De klacht dat niet aan de vereisten van artikel 5 lid 1 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) was voldaan, faalt omdat de Rechtbank voldoende onderzoek en medische onderbouwing heeft getoond.
Verder wijst de Hoge Raad een klacht af die ziet op de aanvang van de termijn van de machtiging. De termijn gaat in op de datum van de beschikking en niet op een eerdere datum, conform artikel 10 lid 4 Bopz Pro. Het beroep wordt verworpen en de beschikking van de Rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf blijft van kracht.