ECLI:NL:PHR:2004:AR1260

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/097HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Algemene TermijnenwetArt. 2 lid 2 Wet BopzArt. 4 Wet BopzArt. 5 lid 1 Wet BopzArt. 6 lid 5 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voorlopige machtiging psychiatrische opname wegens onvoldoende onderzoek en motivering

In deze zaak is een voorlopige machtiging voor opname in een psychiatrisch ziekenhuis verleend zonder dat de psychiater die de geneeskundige verklaring opstelde de betrokkene persoonlijk heeft onderzocht. De ouders van de betrokkene hadden een verzoek ingediend bij de officier van justitie, waarna de rechtbank de machtiging verleende. Betrokkene zelf was niet verschenen bij de zitting.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet vereist dat de psychiater betrokkene kort tevoren persoonlijk onderzoekt, tenzij dit door weigering van betrokkene niet mogelijk is. In dat geval moet de psychiater in zijn verklaring uitleggen waarom het onderzoek beperkt was en op welke gronden hij toch tot zijn oordeel is gekomen. De rechtbank moet vervolgens toetsen of het onderzoek voldoende was en of voldoende is vastgesteld dat betrokkene gestoord is en gevaar veroorzaakt.

In deze zaak blijkt uit het begeleidend schrijven dat de psychiater betrokkene niet persoonlijk heeft gezien, terwijl de rechtbank ten onrechte stelde dat dit wel het geval was. Daarnaast heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom zij oordeelde dat de verklaring voldeed aan de wettelijke eisen en welk gevaar zij voor ogen had. Hierdoor voldoet de motivering niet aan de wettelijke eisen.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling aan de hand van de actuele situatie en met inachtneming van de wettelijke vereisten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voorlopige machtiging en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling.

Conclusie

R04/097HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 3 september 2004 (Wet Bopz)
Conclusie inzake:
[verzoeker]
In deze zaak is een voorlopige machtiging verleend zonder dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld de patiënt heeft gesproken. Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of aan de wettelijke vereisten is voldaan.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. De ouders van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) hebben op de voet van art. 4 Wet Pro Bopz bij de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch een verzoek ingediend, gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging ten aanzien van betrokkene, destijds 20 jaar oud. De officier van justitie heeft op 3 mei 2004 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen (art. 6 Wet Pro Bopz). Bij het verzoek was gevoegd een geneeskundige verklaring, opgemaakt door de psychiater [de psychiater 1] op 29 april 2004, met een begeleidend schrijven.
1.2. Op 14 mei 2004 heeft de rechtbank de raadsman van betrokkene, de ouders van betrokkene, de behandelend psychiater [de psychiater 2] en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige [de verpleegkundige] gehoord. Betrokkene zelf is niet voor de rechtbank verschenen.
1.3. De rechtbank heeft bij beschikking van diezelfde datum de verzochte voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Bij de stukken bevindt zich ook een beschikking d.d. 28 mei 2004 tot verbetering van de beschikking d.d. 14 mei 2004 in verband met een onjuiste vermelding van de geboortedatum van betrokkene.
1.4. Namens betrokkene is tijdig(1) cassatieberoep ingesteld tegen de - verbeterde - beschikking van 14 mei 2004.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. In onderdeel I van het middel wordt geklaagd dat in de beschikking ten onrechte is vermeld dat de rechtbank kennis heeft genomen van een geneeskundige verklaring van psychiater [de psychiater 1] d.d. 29 april 2004, opgemaakt nadat deze betrokkene kort tevoren had onderzocht. Volgens het middel blijkt uit het begeleidend schrijven van deze psychiater onmiskenbaar dat deze betrokkene niet zelf heeft gezien. Daarnaast klaagt het middelonderdeel dat de rechtbank in haar beschikking niet heeft aangegeven waarom zij van oordeel is dat de geneeskundige verklaring aan de vereisten van art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz voldoet, althans dat de rechtbank haar oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.2. Een voorlopige machtiging kan worden verleend ten aanzien van iemand die gestoord is in zijn geestvermogens. Art. 2 lid 2 Wet Pro Bopz bepaalt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter (a) de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en (b) het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Bij het verzoek moet worden overgelegd een verklaring van een psychiater die betrokkene, met het oog daarop, kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was (art. 6 lid 5 jo Pro. art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz).
2.3. In art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz heeft de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan, waarbij de psychiater betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen voorlopige machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich Pro voordoet(2).
2.4. Uit het begeleidend schrijven van psychiater [de psychiater 1] blijkt met zoveel woorden dat hij betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht. De andersluidende vaststelling van de rechtbank is in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk; zij is ook niet nader gemotiveerd. Het eerste deel van de klacht slaagt derhalve.
2.5. Uit de bestreden beschikking blijkt niet uitdrukkelijk dat de rechtbank heeft nagegaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. De vraag kan worden gesteld of dit als een impliciet oordeel van de rechtbank kan worden beschouwd(3). Blijkens het begeleidend schrijven heeft de psychiater één poging gedaan om betrokkene (op 29 april 2004) te bereiken, na schriftelijke vooraankondiging en na telefonisch contact met betrokkene op 22 april 2004, en betrokkene toen niet aangetroffen. Van een weigering van betrokkene om de psychiater te woord te staan wordt in de geneeskundige verklaring noch in het begeleidend schrijven melding gemaakt(4).
2.6. Het antwoord op de zo-even gestelde vraag kan echter in het midden blijven, nu de rechtbank in ieder geval heeft verzuimd na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking, te weten dat de psychiater betrokkene niet zelf heeft kunnen onderzoeken, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet: de rechtbank heeft volstaan met een standaardmotivering. Een aldus ingerichte motivering voldoet slechts aan de eis der wet, indien uit de inhoud van de stukken zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank hierbij voor ogen heeft gestaan en waarop zij zulks heeft gegrond. Aan dit vereiste is niet voldaan. De bestreden beschikking geeft geen enkele indicatie, welk soort gevaar de rechtbank voor ogen heeft gehad; in de geneeskundige verklaring worden uiteenlopende vormen van gevaar genoemd, zodat ook daaruit niet duidelijk wordt waarop de rechtbank doelt. Zoals in onderdeel II van het middel nader is uitgewerkt, zijn niet alle in de geneeskundige verklaring genoemde vormen van gevaar zodanig vanzelfsprekend, dat de rechter zonder een objectief medisch onderzoek, waarbij de psychiater betrokkene zelf spreekt, ervan kan uitgaan dat zich hier een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz voordoet. Ook het tweede deel van de klacht is daarom gegrond.
2.7. Onderdeel II keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken. Tevens wordt een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Indien onderdeel I slaagt, behoeft onderdeel II geen behandeling meer. Na verwijzing moet opnieuw en aan de hand van de actuele situatie worden onderzocht of aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige machtiging is voldaan(5).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Het cassatierekest is ingekomen ter griffie op 16 augustus 2004 (14 augustus 2004 viel op een zaterdag; art. 1 lid 1 Algemene Pro Termijnenwet).
2 HR 6 november 1998, NJ 1999, 103 (BJ 1998, 60 m.nt. WD); HR 3 november 2000, NJ 2000, 717 (BJ 2000, 59); HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599 (BJ 2002, 45).
3 Vgl. HR 24 september 1999, NJ 1999, 752 (BJ 1999, 54 m.nt. red.).
4 In rubriek 6.b van de geneeskundige verklaring is vermeld: "Patiënt vertoont vluchtgedrag. Zie begeleidend briefje". In het begeleidend schrijven is vermeld dat betrokkene bij gelegenheid van een eerdere Bopz-zitting niet is verschenen, dat hij afspraken met zijn ambulante behandelaar niet nakomt en dat betrokkene (die volgens de geneeskundige verklaring geen vaste woonplaats heeft) dikwijls thuiskomt (in het ouderlijk huis) indien hij weet dat zijn ouders niet thuis zijn. Dit geeft m.i. onvoldoende informatie over de bereidheid van betrokkene om mee te werken aan het psychiatrisch onderzoek.
5 HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB. Zie ook: HR 4 november 1994, NJ 1995, 126; HR 2 maart 2001, NJ 2001, 278.