ECLI:NL:HR:1999:AA3818
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Fleers
- raadsheer Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid vorderingen kennelijk onredelijk ontslag en bespreekt onrechtmatige daad bij ontslagvergunning
De zaak betreft een geschil tussen een werkgever en meerdere werknemers over de beëindiging van arbeidsovereenkomsten en de rechtmatigheid van het ontslag. De werknemers vorderden primair herstel van de dienstbetrekking en subsidiair schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag of onrechtmatige daad. De Kantonrechter wees deze vorderingen af, waarna de werknemers hoger beroep instelden en hun eis wijzigden.
De Rechtbank Maastricht stelde dat alleen één werknemer tijdig een vordering uit kennelijk onredelijk ontslag had ingesteld, terwijl de overige werknemers te laat waren. De rechtbank oordeelde echter dat de werknemers een vordering op grond van onrechtmatige daad konden instellen omdat de werkgever mogelijk onjuiste cijfers aan de RDA had verstrekt om de ontslagvergunning te verkrijgen.
De Hoge Raad bevestigde dat het stelsel van de artikelen over kennelijk onredelijk ontslag uitputtend is voor die vorderingen, maar dat dit niet uitsluit dat een onrechtmatige daad kan worden aangenomen in geval van misleiding bij het verkrijgen van ontslagvergunningen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiseres in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat alleen één werknemer tijdig een vordering uit kennelijk onredelijk ontslag had ingesteld, terwijl onrechtmatige daad mogelijk is bij misleiding van de RDA.