ECLI:NL:HR:1997:AA3265
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde goodwill bij inbreng onderneming in vennootschap
Belanghebbende bracht zijn advocatenpraktijk per 1 januari 1989 in een vennootschap (M.S. B.V.) in, waarbij een bedrag van ƒ 600.000,- aan goodwill werd opgenomen. De Inspecteur stelde dat er geen overdraagbare zakelijke goodwill aanwezig was. Het Hof stelde de goodwill vast op ƒ 270.000,-, gebaseerd op een overwinst van ƒ 90.000,- en een kapitalisatiefactor van 3, waarbij een arbeidsbeloning van ƒ 250.000,- werd aangenomen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsbeloning op ƒ 250.000,- werd gesteld, terwijl dit leidt tot een overwinstmarge van 25%. Het hof had nader moeten onderzoeken of deze marge een zakelijke vergoeding is voor de prestaties van de vennootschap. De motivering van het hof voldeed niet aan de wettelijke eisen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing in meervoudige kamer, met inachtneming van dit arrest. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere motivering en kwantificering van de goodwill.