ECLI:NL:PHR:2000:AA6513
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke waardering van goodwill bij successie van aandelen in besloten vennootschap
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem inzake de waardering van aandelen in een besloten vennootschap (BV) die een supermarkt exploiteert, na het overlijden van de erflater. De aandelen waren in de aangifte successierecht gewaardeerd zonder de goodwill van de werk-BV, maar na verkoop van de aandelen aan een supermarktconcern werd de goodwill door de inspecteur toegevoegd.
Het hof volgde de inspecteur en nam de goodwill bij de waardering van de aandelen in aanmerking. De erven stelden dat dit onjuist was en dat het hof de toepasselijkheid van art. 21 Successiewet Pro onbegrijpelijk had toegepast. De Hoge Raad overwoog uitgebreid de fiscale en civielrechtelijke achtergrond van goodwill, de parlementaire geschiedenis van de Successiewet en de Wet op de Vermogensbelasting, en de waarderingsmethoden.
De Hoge Raad stelde vast dat de waardering van aandelen in een BV voor het successierecht gebaseerd moet zijn op de economische verkeerswaarde, inclusief de goodwill, en dat het onderscheid in behandeling tussen persoonlijke ondernemingen en BV's geen redelijke rechtvaardiging heeft. De eerdere praktijk waarbij goodwill in persoonlijke ondernemingen niet werd belast, berustte op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad verwierp het beroep van de erven en bevestigde dat ook goodwill van persoonlijke ondernemingen belastbaar is voor het successierecht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat goodwill bij de waardering van aandelen in een BV voor het successierecht belastbaar is.