ECLI:NL:HR:1995:AA3174
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat achterwaartse verliescompensatie toekomt aan dochtermaatschappij binnen fiscale eenheid
In deze zaak stond de vraag centraal of een verlies geleden door een dochtermaatschappij binnen een fiscale eenheid over een jaar na het verenigingstijdstip, kon worden verrekend met de winst van de moedervennootschap over een jaar vóór het verenigingstijdstip. De Inspecteur had een verzoek tot terugwenteling van verlies van 1986 naar 1983 afgewezen, waarna belanghebbende direct in beroep ging bij het Hof. Dit Hof bevestigde de beschikking.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het verlies rechtstreeks of middellijk aan haar toerekenbaar was, omdat de dochter na de fiscale eenheid geen zelfstandig verlies zou kunnen lijden. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de voorwaarden van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die bepalen dat verliezen van dochtermaatschappijen alleen met hun eigen winst kunnen worden verrekend, niet in strijd zijn met de wet. De teruggaaf van belasting behoort toe aan de dochtermaatschappij, ook al is zij onderdeel van een fiscale eenheid.
De Hoge Raad benadrukte dat de toetreding tot een fiscale eenheid pas betekenis heeft vanaf het verenigingstijdstip en dat verliezen over jaren vóór dat tijdstip niet kunnen worden verrekend met winsten van andere groepsmaatschappijen. De uitspraak bevestigt de wettelijke regeling omtrent verliescompensatie binnen fiscale eenheden en de wijze van tenaamstelling van teruggaafbeschikkingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de teruggaaf van verliesverrekening aan de dochtermaatschappij binnen de fiscale eenheid toekomt.