ECLI:NL:PHR:1995:AA3174
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toekenning achterwaartse verliescompensatie aan dochtermaatschappij binnen fiscale eenheid
In deze zaak staat centraal de vraag wie recht heeft op de teruggaaf van vennootschapsbelasting over 1983, die voortvloeit uit de verrekening van het over 1986 geleden verlies binnen een fiscale eenheid. De dochtermaatschappij A leed in 1986 een verlies en was in 1983 belast voor circa ƒ 8,5 miljoen. Vanaf 1 januari 1985 werd A gevoegd in de fiscale eenheid van de moedermaatschappij, de belanghebbende.
De inspecteur stelde de teruggaaf van belasting over 1983 ten name van A vast, terwijl de belanghebbende meende dat deze aan haar toekwam. Het gerechtshof bevestigde de beschikking van de inspecteur. De belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad overweegt dat de achterwaartse verliescompensatie een teruggaaf betreft van belasting geheven over het winstjaar 1983, en dat deze teruggaaf toekomt aan degene die over dat jaar belasting verschuldigd was, namelijk A. De toetreding tot de fiscale eenheid per 1 januari 1985 verandert hieraan niets, omdat de fiscale eenheid pas vanaf dat tijdstip geldt. De voorwaarden die zijn gesteld bij de fiscale eenheid wijzigen de wettelijke toerekening niet. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de teruggaaf van vennootschapsbelasting over 1983 toekomt aan de dochtermaatschappij A en wijst het cassatieberoep van de moedermaatschappij af.