ECLI:NL:PHR:2001:AB0630
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toetsing en verbindendheid van fiscale-eenheidvoorwaarden in vennootschapsbelasting
Deze zaak betreft de toetsing van fiscale-eenheidvoorwaarden die door de Staatssecretaris van Financiën zijn gesteld bij de toepassing van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De moedermaatschappij X BV en haar dochter A BV hebben bezwaar en beroep ingesteld tegen enkele voorwaarden in de beschikking van de Inspecteur die de fiscale eenheid met ingang van 1 februari 1997 heeft vastgesteld.
Het Hof Amsterdam heeft een deel van de voorwaarden als onverbindend beoordeeld, met name voorwaarde 15a, die het recht van de dochtermaatschappij beperkt om verliezen van vóór het splitsingstijdstip te verrekenen, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het Hof voor zover het gaat om verliezen die tijdens de fiscale eenheid zijn geleden, en voegt een tekst toe aan voorwaarde 15a die deze verliezen en investeringsbijdragen uitsluit van de beperking, mits aannemelijk wordt gemaakt dat de transacties als bedoeld in voorwaarde 16 niet van invloed zijn.
Voorwaarde 16, gericht tegen oneigenlijk verschuiven van stille reserves binnen de fiscale eenheid, wordt door de Hoge Raad bevestigd als binnen de wettelijke bevoegdheid en niet strijdig met beginselen van behoorlijk bestuur of het rechtszekerheidsbeginsel. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter de wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene beginselen, waardoor de ruime redactie van voorwaarde 16 niet tot onverbindendheid leidt.
Voorwaarde 17, die betrekking heeft op de behandeling van winst uit buitenlandse onderneming bij de fiscale eenheid, wordt door de Hoge Raad als onverbindend verklaard omdat deze buiten de grenzen van artikel 15, derde lid, Wet Vpb. 1969 treedt. Voorwaarde 20 wordt gehandhaafd als binnen de bevoegdheid van de Staatssecretaris.
De conclusie bevat tevens een uitgebreide beschouwing over de toetsingsmethode van fiscale-eenheidvoorwaarden, waarbij wordt vastgesteld dat de belastingrechter moet toetsen aan de grenzen van artikel 15 Wet Pro Vpb. 1969, of de voorwaarden leiden tot willekeurige en onredelijke belastingheffing, en of zij niet in strijd zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Uitkomst: Voorwaarde 15a wordt aangepast met een tegenbewijsregeling, voorwaarde 17 wordt onverbindend verklaard, overige voorwaarden worden gehandhaafd.