ECLI:NL:HR:1995:AA3144
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Toepassing alleenstaande-ouderaftrek bij studerende kinderen met studiefinanciering
Belanghebbende, sinds april 1992 weduwe, had in dat jaar twee studerende kinderen jonger dan 27 jaar in haar huishouden, die studiefinanciering ontvingen. Eén van de kinderen had afgezien van een rentedragende lening, terwijl belanghebbende ten minste 56 gulden per week bijdroeg aan diens onderhoud.
De kernvraag was of belanghebbende recht had op de alleenstaande-ouderaftrek volgens artikel 55, lid 5, Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof had dit bevestigd en de aanslag verminderd. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat ook de kredietmogelijkheden van het kind meegewogen moesten worden.
De Hoge Raad verwierp dit betoog en oordeelde dat de enkele mogelijkheid van een lening niet betekent dat het kind zelf in levensonderhoud kan voorzien. Het hof had terecht geoordeeld dat de bijdrage van minimaal 56 gulden per week voldoende was voor de aftrek.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en legde geen proceskostenveroordeling op. Het arrest werd op 20 december 1995 uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de alleenstaande-ouderaftrek wordt bevestigd.