ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7612
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Geen recht op alleenstaande ouderaftrek bij onvoldoende belangrijke bijdrage in levensonderhoud studerende dochter
Belanghebbende, ongehuwd en wonend met haar studerende dochter, voerde aan dat zij recht had op de alleenstaande ouderaftrek omdat zij haar dochter in belangrijke mate had onderhouden. De dochter had in 1997 een netto-inkomen van f 22.966 en volgde tot september een dagopleiding. Belanghebbende stelde dat zij meer dan f 56 per week bijdroeg aan het levensonderhoud van haar dochter, wat volgens haar voldeed aan de wettelijke eis.
Verweerder betwistte dit en stelde dat de dochter voldoende eigen middelen had om in haar levensonderhoud te voorzien, mede omdat de berekende kosten van levensonderhoud lager waren dan het netto-inkomen van de dochter. Ook wees verweerder op onjuistheden in de door belanghebbende opgegeven kosten, zoals hoge vakantiekosten en meubilair, die niet tot aftrek in aanmerking komen.
Het Hof overwoog dat voor de indeling in tariefgroep 4 mede gekeken moet worden naar de eigen inkomsten van het kind en dat alleen kosten die nodig zijn voor een redelijk bestaan in aanmerking komen. Het Hof achtte niet aannemelijk dat de kosten van levensonderhoud van de dochter hoger waren dan haar eigen inkomsten plus de wettelijke drempel van f 56 per week. Daarom kon belanghebbende geen aanspraak maken op de alleenstaande ouderaftrek.
Verder oordeelde het Hof dat de heffingsrente terecht was berekend omdat de aanslag was opgelegd onder een andere tariefgroep dan waarvoor aangifte was gedaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen veroordeling in kosten uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inclusief heffingsrente blijft in stand.