ECLI:NL:HR:1994:ZC1463
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Martens
- raadsheer Mijnssen
- raadsheer Neleman
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Nieuwenhuis
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad bij bodemverontreiniging door storten chemisch afval in zandafgraving
In deze zaak vordert de Staat vergoeding van saneringskosten wegens bodemverontreiniging veroorzaakt door het storten van chemisch lijmafval in een zandafgraving te Lunteren. De exploitant van de zandafgraving, eiser, stond toe dat afval werd gestort in strijd met de ontgrondingsvergunning die het storten van afval verbood.
De Rechtbank stelde vast dat eiser niet wist van de giftigheid van het afval, maar dat hij wel wist dat het brandgevaarlijk was. Het hof oordeelde dat eiser onrechtmatig had gehandeld door het storten toe te staan en geen onderzoek te doen naar de aard van het afval. Het hof vond dat aan het relativiteitsvereiste was voldaan omdat de wet de belangen van de overheid beschermt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en oordeelde dat de Ontgrondingenwet niet strekt tot bescherming van de overheid tegen saneringskosten door bodemverontreiniging. Daardoor was het oordeel van het hof over het relativiteitsvereiste onjuist. De zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling. Het oordeel over onrechtmatigheid en schuld van eiser werd niet definitief vastgesteld, zodat de rechter bij verdere behandeling niet daaraan gebonden is.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.