ECLI:NL:PHR:2002:AE8451
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging door olieproducten en de toepassing van de Wet bodembescherming
De zaak betreft een bodemverontreiniging op een terrein te Almelo waar Total en haar rechtsvoorgangers opslag en overslag van aardolieproducten verrichtten. De Staat vordert vergoeding van saneringskosten op grond van de Wet bodembescherming (Wbb), stellende dat Total onrechtmatig heeft gehandeld door morsingen en lekken van olieproducten.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de bewijslast voor het verontreinigende handelen in beginsel bij de Staat ligt en dat Total ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, mede omdat zij de ernstige gevaren van olieproducten kende of behoorde te kennen en niet deugdelijke maatregelen trof. Het hof baseerde dit onder meer op getuigenverklaringen en rapporten van het Instituut voor Milieuvraagstukken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het tussen de Staat en Total is gewezen, omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat Total het ernstige gevaar voor milieu en volksgezondheid daadwerkelijk kende of behoorde te kennen en dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van ernstig verwijtbaar handelen moet worden gebaseerd op de inzichten en wetenschap van destijds, met inachtneming van de stand van de industrie en de beschikbaarheid van alternatieven.
De Hoge Raad roept partijen op om de procedure voortvarend voort te zetten en wijst op de lange duur van de procedure, die in strijd kan zijn met het recht op een eerlijk proces volgens het EVRM.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.