Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 april 2018
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
.
“Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u”, hierboven onderstreept) een erkenning door de Staat van aansprakelijkheid. Subsidiair voert [appellant] aan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door niet (tijdig) over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van de ABN AMRO Bank en/of personen in dienst van deze bank wegens het doen van een valse aangifte. Dit nalaten is onrechtmatig omdat [appellant] door deze valse aangifte ten onrechte strafrechtelijk is vervolgd. Hoewel hij in hoger beroep is vrijgesproken, is hij voor het leven gebrandmerkt en maatschappelijk geruïneerd, aldus [appellant].
“Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u”)niet overeenstemt met de wil van de Staat en dat [appellant] dit redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Evenmin heeft de Staat onrechtmatig gehandeld. Uitgangspunt in dit verband, zo overweegt de rechtbank, is dat de in artikel 12 Sv Pro voorziene rechtsgang in het algemeen met voldoende waarborgen omgeven is en de gang naar de burgerlijke rechter uitsluit. Verder heeft de rechtbank verwezen naar het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Nu tegen de beklagbeschikkingen van 11 juli 2001, 23 februari 2005 en 15 juni 2012 geen cassatieberoep openstaat, hebben deze uitspraken rechtskracht tussen partijen. Dit betekent de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van de beslissing(en) tot het niet-vervolgen van ABN AMRO Bank en de betrokken medewerkers van die bank. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien bij de voorbereiding van deze beklagbeschikkingen zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaken niet meer kan worden gesproken, maar dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. Tot slot kan de ter zitting aangevoerde grondslag, inhoudende dat ondanks de formele rechtskracht van de beklagbeschikkingen “het onrechtmatig is om deze zaak te laten voortduren zonder de schade van [appellant] aan hem te vergoeden”, volgens de rechtbank niet tot een toewijzing van de vordering leiden, nu daaraan niet een (voldoende) duidelijke feitelijke onderbouwing is gegeven.