ECLI:NL:HR:1994:AA2949
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrekbaarheid reis- en verblijfskosten en winstuitdeling bij BV
In deze zaak was de vraag of reis- en verblijfskosten van een directeur-minderheidsaandeelhouder van een BV als zakelijke kosten konden worden aangemerkt en dus aftrekbaar waren voor de vennootschapsbelasting over het boekjaar 1983/1984. De Inspecteur had deze kosten niet in aftrek toegelaten en legde een navorderingsaanslag op.
Het Hof Amsterdam vernietigde de navorderingsaanslag, oordeelde dat de kosten niet zakelijk waren, maar stelde ook dat niet was aangetoond dat de kosten bedoeld waren om de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen. De Hoge Raad stelde dat als de kosten niet zakelijk zijn, ze niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht, ook als niet is vastgesteld dat ze aan een aandeelhouder ten goede zijn gekomen. Daarom kon het arrest van het Hof niet in stand blijven.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof 's-Gravenhage voor verdere behandeling, met inachtneming van de overwegingen in dit arrest. De uitspraak bevat een uitgebreide beschouwing over de kwalificatie van uitgaven als ondernemingskosten of als winstuitdeling, met verwijzingen naar eerdere jurisprudentie en wetsartikelen. De Hoge Raad benadrukt dat uitgaven van een BV die niet volstrekt onredelijk zijn en niet strekken tot bevoordeling van aandeelhouders, als ondernemingskosten moeten worden aangemerkt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof 's-Gravenhage voor verdere behandeling.