ECLI:NL:HR:1994:AA2943
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag vennootschapsbelasting wegens vervangingsreserve na verbreking fiscale eenheid
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was tot en met 1985 onderdeel van een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap B.V. A, aan wie zij een pand verhuurde. Op 24 december 1986 verkocht belanghebbende haar aandelen in B.V. A, waarmee de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 1986 werd verbroken. Ultimo 1986 verkocht belanghebbende het pand aan B.V. A en droeg het economisch eigendom over.
De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op voor het jaar 1986, die na bezwaar werd verminderd maar door het hof werd bevestigd. Het geschil betrof de vraag of het verschil tussen de opbrengst en boekwaarde van het pand in een vervangingsreserve mocht worden opgenomen.
Het hof oordeelde dat de terugwerkende kracht van de verbreking van de fiscale eenheid geen betekenis had voor de economische functie van het pand. De Hoge Raad stelde echter vast dat een aan een dochtervennootschap verhuurd bedrijfsmiddel, zonder fiscale eenheid, dezelfde functie heeft als verhuur aan een derde partij. Omdat belanghebbende voornemens was het pand te vervangen door een ander verhuurd pand, mocht het verschil in een vervangingsreserve worden opgenomen.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van het hof en de Inspecteur, stelde de aanslag op nihil en bepaalde dat belanghebbende de betaalde griffierechten terugkrijgt. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten. Dit arrest werd gewezen door de vice-president Jansen en raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en stelt de aanslag vennootschapsbelasting op nihil wegens recht op vervangingsreserve.