ECLI:NL:HR:1997:AA2197
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vervangingsreserve bij verkoop en vervanging van bedrijfspand na verbreking fiscale eenheid
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de aanslag vennootschapsbelasting 1992 van X B.V. heeft verminderd. X B.V. had een pand verkocht dat zij verhuurde aan A B.V., waarmee tot 1991 een fiscale eenheid bestond. Na verbreking van deze fiscale eenheid in 1992, werd een nieuw pand betrokken en eveneens verhuurd aan A B.V.
Het geschil betrof de vraag of de boekwinst op het verkochte pand in 1992 in mindering mocht worden gebracht op de kosten van vervanging van het nieuwe pand door middel van een vervangingsreserve. Het Hof oordeelde dat beide panden dezelfde economische functie vervulden binnen het vermogen van X B.V., waardoor vorming van de vervangingsreserve was toegestaan.
De Staatssecretaris stelde dat de functie van het pand bij het moment van verkoop in 1991 bepalend was en dat toen geen sprake was van vervanging omdat het pand toen eigen gebruik had binnen de fiscale eenheid. De Hoge Raad verwierp dit middel en stelde dat de beoordeling plaatsvindt naar de omstandigheden aan het einde van het boekjaar waarin de winst volgens goed koopmansgebruik wordt genomen, in dit geval 1992.
De Hoge Raad benadrukte dat bij vervanging in hetzelfde boekjaar vorming en opheffing van de reserve samenvallen, zodat slechts de lagere boekwaarde van het vervangende pand op de balans verschijnt. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de aanslagvermindering door het Hof blijft in stand.