Uitspraak
Aard van de belasting.
Belastingplicht.
Bouwvergunningen.
Wijze van heffing.
Vrijstellingen.
Hoge Raad
Belanghebbende diende op 13 februari 1987 een aanvraag in voor een bouwvergunning bij de gemeente Beerta. Deze vergunning werd op 13 oktober 1987 verleend, waarna een legesheffing van ƒ 292.805,-- werd opgelegd. Deze heffing was gebaseerd op de Legesverordening 1987, die op 1 januari 1987 in werking trad en op 17 juni 1987 werd gewijzigd waarbij een vrijstelling voor legesheffing voor diensten door openbare besturen kwam te vervallen.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de legesheffing, maar dit werd door Burgemeester en Wethouders en vervolgens door het Hof Leeuwarden bevestigd. In cassatie stelde de Hoge Raad de vraag of de gewijzigde legesverordening als algemeen verbindend voorschrift getoetst kan worden aan het rechtszekerheidsbeginsel, hetgeen bevestigend werd beantwoord.
De Hoge Raad oordeelde dat het afschaffen van een vrijstelling niet met terugwerkende kracht mag worden toegepast op reeds ingediende, maar nog niet afgedane aanvragen. Dit omdat gerechtvaardigde verwachtingen van aanvragers beschermd moeten worden. Aangezien niet was gebleken dat het voornemen tot wijziging van de verordening vóór 13 februari 1987 op behoorlijke wijze algemeen bekend was gemaakt, was de wijziging ten aanzien van belanghebbende onverbindend.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en de besluiten van Burgemeester en Wethouders, en bepaalde dat belanghebbende recht heeft op terugbetaling van de betaalde griffierechten. Hiermee werd bevestigd dat het rechtszekerheidsbeginsel bescherming biedt tegen onverwachte en terugwerkende wijzigingen in legesverordeningen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en oordeelt dat de afschaffing van de vrijstelling niet met terugwerkende kracht mag worden toegepast op reeds ingediende bouwvergunningsaanvragen.