Uitspraak
moestbehandelen, onderscheidenlijk dat de omstandigheid dat de huurder wanprestatie heeft gepleegd van zodanige ernst dat zij in beginsel een ontbinding rechtvaardigt, onder alle omstandigheden aan toepassing van art. 1635 in Pro de weg staat. Uitgaande van het vorenoverwogene kan voorts ook niet worden gezegd dat de motivering van de Rechtbank in het licht van de gedingstukken tekortschiet.
kvan toepassing is - aan de onderhuurder geen zelfstandig recht jegens de verhuurder geeft. Voorts is van betekenis dat bij de toepassing van art. 1635 in Pro beginsel slechts de belangen van de huurder en de verhuurder tegen elkaar worden afgewogen, zij het dat de wet niet uitsluit om daarbij als een van de in art. 1635 lid 2 bedoelde Pro omstandigheden ook het belang van de voorgestelde opvolgende huurder, die reeds onderhuurder is, in aanmerking te nemen. Door in dit licht voormeld betoog van [eiser 1] en [eiseres 2] te verwerpen heeft de Rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, noch ook heeft zij haar met feitelijke waarderingen verweven oordeel dienaangaande onvoldoende gemotiveerd. Ook de klacht dat de Rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden, faalt, nu hetgeen zij op het in de klacht bedoelde punt uit de stukken heeft afgeleid, berust op gevolgtrekkingen die in het licht van die stukken niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.
7 april 1989.