Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof
aldaarvan 25 februari 1972 betreffende een hem voor het jaar 1970 opgelegde aanslag ter zake van precariorechten van de gemeente 's-Gravenhage;
Hoge Raad
Belanghebbende werd voor het jaar 1970 aangeslagen voor precariorechten door de gemeente 's-Gravenhage, gebaseerd op een installatie voor de levering van motorbrandstoffen op openbare gemeentegrond. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag met het argument dat de heffing feitelijk een accijns betrof, welke gemeenten niet mogen heffen, en dat de verordening onredelijk en willekeurig was.
Het Hof stelde vast dat de aanslag was opgelegd volgens de geldende verordening en dat het geschil vooral draaide om de vraag of de heffing een accijns was. Het Hof oordeelde dat de heffing niet als accijns kon worden aangemerkt, omdat deze niet op goederen, maar op het houden van een installatie werd geheven. Ook vond het Hof de heffing niet onredelijk of willekeurig.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de heffing geen accijns was en dat de maatstaf van heffing niet in overeenstemming was met de gemeentewet. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde dat de heffing een precariobelasting betreft die door de gemeentewet wordt toegestaan, en dat de beoordeling van matige winst uitsluitend aan de Kroon toekomt. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de precariobelasting door de gemeente is rechtsgeldig.