Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:807

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/498
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Wet IB 2001Art. 4.12 Wet IB 2001Art. 4.19 lid 1 Wet IB 2001Art. 4.20 Wet IB 2001Art. 4.22 lid 1 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslag belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Belanghebbende verkocht in 2019 zijn aandelen in een BV inclusief een rekening-courantschuld van ruim €287.000 aan een koper voor een overdrachtsprijs van €5.000. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarbij hij de rekening-courantschuld volledig als waarde in het economisch verkeer aanmerkte, wat leidde tot een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van €274.268.

Belanghebbende stelde dat de schuld oninbaar was vanwege zijn arbeidsongeschiktheid, leeftijd en privéomstandigheden, en dat de werkelijke waarde van de schuld nihil was. Het hof oordeelde dat de overeengekomen overdrachtsprijs niet de waarde in het economisch verkeer weerspiegelt, omdat sprake was van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst.

Het hof stelde vast dat de rekening-courantschuld grotendeels oninbaar was en dat de waarde ervan moest worden vastgesteld op de overwaarde van de eigen woning van belanghebbende, namelijk €49.000. Hierdoor werd het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot €35.849. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de navorderingsaanslag en bepaalde dat de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitkomst: Het hof vermindert de navorderingsaanslag en stelt het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast op €35.849.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/498
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2024, nummer BRE 23/1539, in het geding tussen belanghebbende, en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende hield sinds 27 januari 2000 100% van de aandelen in [B.V.] (hierna: de BV). De BV hield zich bezig met het leggen van rioleringen, buizen en pijpleidingen.
2.2.
In de notulen van de Algemene vergadering van aandeelhouders van de BV (hierna: AvA) van 1 mei 2019 staat:
“(…) 1. Verkoop aandelen
Besloten wordt dat de heer C(…) bestuurder van [B.V.] de aandelen koopt van [belanghebbende] De aandelen van [B.V.] worden overgenomen door de heer C(…) met alle lusten en lasten inclusief de rekening courant van [belanghebbende] ten gunste van [B.V.] wordt overgenomen door de heer C(…) bij besluit van deze algemene vergadering en akkoord. De prijs van de aandelen wordt na bestudering van de balans bepaald op vijfduizend euro. (…)”.
2.3.
Belanghebbende en de heer C(…) (hierna: de koper) hebben op 15 mei 2019 een ‘Koopovereenkomst van aandelen’ gesloten (hierna: de koopovereenkomst). Daarin is overeengekomen:
“(…) ARTIKEL 1 – Verkoop en koop
Verkoper verkoopt hierbij aan Koper, gelijk Koper koopt de Aandelen. De koopprijs voor de Aandelen bedraagt EUR 5000 (zegge) VIJFDUIZEND EURO
ARTIKEL 2 – Levering en betaling (…)
2.2
De Koopprijs zal door Koper aan Verkoper worden voldaan per contante betaling.
2.3
Verkoop en levering van de Aandelen geschiedt in de staat waarin deze zich op het moment van ondertekening van de Overeenkomst bevinden.
ARTIKEL 3 – Overeenkomst
De aandelen worden door koper aanvaardt met alle lusten en lasten alsmede de rekening courant van de aandeelhouder die overgenomen wordt door koper (…)”.
2.4.
[kantoornaam] (hierna: de accountant) heeft in een brief van 11 juni 2019 aan de BV geschreven:
“(…) Hierbij stuur ik u een overzicht van de activa op peildatum 31 december 2017. De waarde staat op € 14.157, rekening houdende met de desinvesteringen ten laste van het jaar 2018 ad € 4.171, zal de boekwaarde per 31 december 2018 € 9.986 zijn.
Er is geen waarde bepaald voor een eventuele goodwill. (…)”.
2.5.
De accountant heeft onder andere aan zijn brief toegevoegd, de volgende weergave van de actiefzijde van de balans per ultimo 2017 en 2016:
“ACTIEF
2017 2016€ € € €
VASTE ACTIVA
MATERIËLE VASTE ACTIVA
Inventaris 4.060 5.330
Transportmiddelen
10.097 4.376
14.157 9.706
VLOTTENDE ACTIVA
VORDERINGEN
Handelsdebiteuren 22.415 13.246
Belastingen en premies
sociale verzekeringen 2.097 941
Participanten 255.277 224.560
Overige vorderingen en
overlopende activa
358-
280.147 235.747
LIQUIDE MIDDELEN
1.533 2.492
TOTAAL
295.837 247.945”.
2.6.
Bij notariële akte van levering van 27 juni 2019 zijn de aandelen in de BV door belanghebbende aan de koper geleverd tegen een koopsom van € 5.000. In de akte is opgenomen:
“(…) B. Koopsom
1. De koopsom voor de aandelen bedraagt vijfduizend (5.000)
Van de waarde van de aandelen blijkt uit een door [kantoornaam] , gevestigd te [vestigingsplaats] , zijnde de accountant van de vennootschap, opgestelde verklaring, alsmede uit de balansgegevens van de vennootschap, welke verklaring en balansgegevens aan deze akte zullen worden gehecht.
2. De koper heeft de koopsom aan koper voldaan.
3. Ingevolge het vorenstaande verleent verkoper aan de koper kwijting voor de koopsom. (…)
C. Voorwaarden en bepalingen (…)
2. Voor rekening van de koper zijn van 15 mei 2019 af alle baten en lasten van de aandelen”.
2.7.
Uit de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2018 volgt dat de BV per ultimo 2018 een rekening-courant vordering had op belanghebbende ter grootte van € 287.419 en een (fiscaal) eigen vermogen van € 271.387 (winstreserves € 253.236).
2.8.
De inspecteur is bij het opleggen van de navorderingsaanslag uitgegaan van een vervreemdingvoordeel uit aanmerkelijk belang ter grootte van € 274.268. Dit bedrag is onderbouwd door de overdrachtsprijs van de aandelen (€ 5.000) te vermeerderen met de rekening-courant schuld van belanghebbende per 1 januari 2019 (€ 287.419) en dit vervolgens te verminderen met de verkrijgingsprijs van de aandelen (€ 18.151).
2.9.
De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.784 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 274.268. Tevens is bij beschikking € 1.472 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.10.
De BV is op 12 mei 2020 in staat van faillissement verklaard.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 274.268 in aanmerking heeft genomen. Hij heeft een koper gezocht die de BV wilde overnemen inclusief de rekening-courantvordering op hem, die door de jaren heen onnodig was opgelopen en nooit meer zou kunnen worden ingelost. Belanghebbende is al een lange tijd arbeidsongeschikt en met ingang van 12 september 2017 voor 94% afgekeurd, de werkzaamheden werden voor hem te zwaar en op den duur zou de omzet door zijn beperking gaan dalen. De koper was bereid de rekening-courantschuld van hem over te nemen en € 5.000 te betalen in plaats van de door de accountant getaxeerde waarde van € 15.000. Het voordeel uit aanmerkelijk belang is dan ook € 5.000, aldus belanghebbende.
4.2.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de rekening-courantschuld van € 287.492 van belanghebbende aan de BV terecht bij de overdrachtsprijs opgeteld omdat de koper deze schuld, als onderdeel van de tegenprestatie bij vervreemding van de aandelen, van belanghebbende heeft overgenomen. De met de schuld corresponderende vordering op belanghebbende was ten tijde van de verkoop volwaardig en het bedrag van € 287.492 vertegenwoordigde dan ook de waarde in het economisch verkeer van deze vordering op belanghebbende, aldus de inspecteur.
Wet IB 2001
4.3.
In de wet is bepaald dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang een heffingsgrondslag is voor de inkomstenbelasting. [1] Dit is het inkomen uit aanmerkelijk belang minus de te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang. In dit geval is geen sprake van verliezen. Het inkomen uit aanmerkelijk belang bestaat uit de reguliere voordelen en de vervreemdingsvoordelen. [2] De vervreemdingsvoordelen worden gesteld op de overdrachtsprijs minus de vervreemdingsprijs. [3] Onder de overdrachtsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij vervreemding, minus de ten laste van de koper komende kosten. [4] Als bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de vervreemding, respectievelijk de verkrijging, in het economische verkeer aan de aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend. [5]
Niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst
4.4.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst met de koper. Belanghebbende en de koper hebben de overdrachtsprijs samen bepaald op € 5.000 met alle lusten en lasten, inclusief de rekening-courantvordering van de BV op belanghebbende (zie 2.2). In de koopovereenkomst is overeengekomen dat de lusten en lasten alsmede de rekening-courant worden overgenomen door de koper (zie 2.3). De door de accountant ‘getaxeerde waarde’ is afgerond € 15.000 (zie 2.4), maar hierbij zijn alleen de materiële vaste activa meegenomen. De accountant heeft niets opgemerkt over de vlottende activa zoals de rekening-courantvordering en evenmin gewezen op het ondernemingsvermogen van € 271.387 (winstreserves € 253.236) zoals vermeld in de aangifte vennootschapsbelasting 2018. Belanghebbende heeft de aandelen in de BV op grond van ‘de getaxeerde waarde’ vervreemd voor € 5.000 en de koper heeft daarbij de rekening-courantschuld van € 287.419 van belanghebbende aan de BV overgenomen. [6]
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende de koper heeft willen bevoordelen, of een verrekening heeft plaatsgevonden van een vergoeding die belanghebbende uit andere hoofde aan de koper heeft willen verstrekken. [7] Belanghebbende is ondanks de winstreserves van € 253.236 een overdrachtsprijs van de aandelen overeengekomen van € 5.000, terwijl de accountant uitging van een waarde van afgerond € 15.000 zonder de winstreserve erbij te betrekken. Dit betekent dat voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang niet kan worden uitgegaan van de overeengekomen overdrachtsprijs van € 5.000 (zie 2.4 en 2.6). In plaats daarvan moet als tegenprestatie worden aangemerkt de waarde die ten tijde van de vervreemding en verkrijging in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend.
Waarde in het economisch verkeer
4.6.
Voor de berekening van het door belanghebbende met de verkoop van de aandelen in de BV behaalde inkomen uit aanmerkelijk belang, moet de overdrachtsprijs worden gesteld op € 5.000 vermeerderd met de waarde in het economische verkeer van de door de koper van belanghebbende overgenomen rekening-courantschuld aan de BV. [8]
4.7.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV een waarde van € 287.419 vertegenwoordigt. De inspecteur verwijst ter onderbouwing hiervan naar het saldo van de schuld per 31 december 2018, zoals volgt uit de aangiften vennootschapsbelasting en de door belanghebbende overgelegde kolommenbalans over 2019:
Rekening-courantvordering per:
Rekening-courant saldo:
31 december 2014
€ 179.927
31 december 2015
€ 193.227
31 december 2016
€ 221.560
31 december 2017
€ 255.277
31 december 2018
€ 287.419
30 juni 2019
€ 294.085
4.8.
De inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende tijdens het boekenonderzoek ten tijde van de overdracht nimmer heeft verklaard dat de rekening-courantvordering van de BV op hem oninbaar zou zijn. Ook de BV heeft nimmer kenbaar gemaakt de rekening-courantvordering op hem te (willen) afwaarderen of kwijt te schelden wegens oninbaarheid. Belanghebbende had voorafgaand aan de verkoop, in de jaren 2015-2019, voldoende inkomen in box 1 en na de verkoop voldoende verdiencapaciteit om de rekening-courantschuld eventueel in termijnen via een aflosplan terug te betalen. Hij ontving sinds 2012 een arbeidsongeschiktheidsuitkering, de BV heeft over de jaren 2015-2018 belastbare winst behaald (2015: € 24.700, 2016: € 40.025, 2017: € 62.133 en 2018: € 40.920), uit renseigneringsgegevens blijkt dat belanghebbende fulltime arbeid verrichtte (in 2018 was sprake van 2.080 verloonde uren) en na de aandelenoverdracht heeft zijn eenmanszaak over de jaren 2020-2023 winst voor ondernemersaftrek gemaakt (2020: € 88.124, 2021: € 58.876, 2022: € 109.999 en 2023: € 89.306). Samengevat is gelet op de leeftijd van belanghebbende (destijds 54 jaar), zijn terugverdiencapaciteit en zijn goedlopende eenmanszaak sprake van een volwaardige vordering op belanghebbende, aldus de inspecteur.
4.9.
Belanghebbende heeft dit betwist. Volgens belanghebbende is ten onrechte uitgegaan van de mogelijkheid dat hij de rekening-courantschuld aan de BV had kunnen aflossen en is de waarde in het economisch verkeer daarvan daarom nihil. Belanghebbende heeft de BV zo’n 20 jaar gehad en met name zelf voor een hoofdaannemer sleuven gegraven en rioleringen en gasleidingen aangelegd langs de weg en in de bouw. Als gevolg van het feit dat hij op 12 september 2017 voor 94% arbeidsongeschikt verklaard voor dit werk, heeft hij besloten om de BV te verkopen en is op advies van zijn accountant verdergegaan als eenmanszaak. Dat zorgde voor minder rompslomp. De rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV was in de loop der jaren zodanig opgelopen dat hij die nooit meer zou kunnen aflossen. Hij heeft daarom samen met zijn broer, zijn gemachtigde, een koper gezocht die de BV inclusief de rekening-courantschuld wilde overnemen. De eerste kandidaat wees de koop af. Vervolgens wilde de huidige koper eerst mededirecteur worden om te kijken of het iets voor hem was. De broer van belanghebbende kende de koper via een vriend en hij is eerst één of twee maanden mededirecteur van de BV geweest. De koper vertelde dat hij connecties had die bekend waren met grondboringen en hij de omzet daardoor aanzienlijk kon laten stijgen. Hij was bereid om de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV over te nemen en de aandelen voor € 5.000 in plaats van € 15.000 te kopen. De broer van belanghebbende is bij de AvA geweest waar deze afspraak is gemaakt. Als de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV was achtergebleven, dan had belanghebbende de aandelen niet overgedragen. De schuld is ontstaan door bijvoorbeeld te pinnen en te betalen voor tanken en etentjes. De kwitanties zijn kwijtgeraakt en er staat niks op papier. De hoogte van de schuld is onjuist omdat achteraf pas is geconstateerd dat in privé betaalde bedragen voor projecten in België niet zijn verrekend. In 2023 is de zoon van belanghebbende overleden en dat valt hem zeer zwaar. Hij is gestopt met zijn eenmanszaak en verricht per 1 april 2024 lichte werkzaamheden als voorman in loondienst bij het grondverzetbedrijf waarvoor hij al werkte. Hij komt sindsdien nergens meer, ook niet bij zijn broer en heeft professionele hulp. Hij lost de opgelegde navorderingsaanslag af met de bedragen die worden ingehouden op zijn inkomen.
4.10.
Het hof overweegt als volgt. De inspecteur heeft de door hem gestelde waarde in het economische verkeer van rekening-courantschuld van € 287.419, gelet op het verweer van belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Het hof acht het niet onaannemelijk dat de rekening-courantschuld op enig moment in de tijd is opgelopen tot het door de inspecteur genoemde bedrag, maar dat betekent niet dat de waarde ervan op 31 december 2018 gelijk was aan dit bedrag. Gesteld noch gebleken is dat de rekening-courantschuld opeisbaar was, dat belanghebbende een rente was verschuldigd en dat hij zekerheden had gesteld. Volgens belanghebbende is aflossing niet mogelijk als gevolg van zijn leeftijd (inmiddels 60 jaar), zijn gezondheidsbeperkingen en de zware werk- en privéomstandigheden. Tot slot is niet gebleken dat het vermogen van belanghebbende meer omvat dan een eigen woning waarop een hypotheek rust. Op grond van dit alles acht het hof aannemelijk dat de rekening-courantschuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.
4.11.
Volgens belanghebbende is de waarde in het economisch verkeer van de rekening-courantschuld nihil, maar ook hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Zoals hiervoor al is overwogen omvat het vermogen van belanghebbende een eigen woning waarop een hypotheek rust. De waarde van de woning in 2019 was hoger dan de hypotheek die daarop rust. Het hof zal de waarde van de rekening-courantschuld aan de BV daarom zelf vaststellen als volgt.
4.12.
Uit de aangifte IB/PVV 2019 van belanghebbende volgt dat de WOZ-waarde van de woning € 249.000 was en de eigenwoningschuld € 200.000 bedroeg. Dit betekent dat de waarde van de woning hoger was dan de hypotheek en sprake was een overwaarde van € 49.000. Belanghebbende heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat hij op die manier had kunnen betalen. Het hof acht het niet aannemelijk dat belanghebbende, gelet op zijn leeftijd, gezondheidsbeperkingen en privéomstandigheden, in staat was om de rekening-courantschuld af te lossen vanuit verdiend inkomen. Het hof stelt de waarde in het economisch verkeer van de rekening-courantschuld aan de BV dan ook in goede justitie vast op € 49.000, zijnde het netto-vermogen van belanghebbende op 31 december 2018.
4.13.
De slotsom is dat het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang € 35.849 bedraagt, te weten de overdrachtsprijs van de aandelen (€ 5.000) vermeerderd met de waarde in het economisch verkeer van rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV per 1 januari 2019 (€ 49.000) en verminderd met de verkrijgingsprijs van de aandelen (€ 18.151).
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft niet om een proceskostenvergoeding verzocht en het hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 35.849;
  • vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt, te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, J. Wessels en A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Art. 2.3, letter b, Wet IB 2001.
2.Art. 4.12 Wet IB 2001.
3.Art. 4.19, lid 1, Wet IB 2001.
4.Art. 4.20 Wet IB 2001.
5.Artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001.
6.Artikel 6:155 BW Pro.
7.PHR 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:463, onder 4.29 en Hoge Raad 25 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4383.
8.Hoge Raad 22 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3193, onder 3.4.