ECLI:NL:HR:1997:AA3193
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt Hofuitspraak en vermindert aanslag inkomstenbelasting 1989
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1989 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 2.428.845,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag verhoogd tot een belastbaar inkomen van ƒ 2.701.738,--. De discussie betrof de waardering van een door D B.V. overgenomen bankschuld die samenhing met de verkoop van certificaten van aandelen in C B.V.
Het Hof stelde de waarde van de schuld gelijk aan de nominale waarde, terwijl belanghebbende betoogde dat de waarde nihil of slechts 50% van de nominale waarde was. De Hoge Raad oordeelde dat de waarde in het economische verkeer moet worden gesteld op de cedentiewaarde van ƒ 555.000,--, omdat de bank haar vordering vrijwel gelijktijdig aan D B.V. had gecedeerd voor dat bedrag.
Verder wees de Hoge Raad het standpunt af dat een aanspraak tot vergoeding van belasting een waarde van ƒ 50.000,-- zou hebben, en stelde dat de werkelijk verschuldigde belasting van ƒ 138.750,-- als waarde geldt. Gelet hierop vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van ƒ 2.007.916,--, waarbij een bedrag van ƒ 1.968.750,-- belast werd volgens artikel 57, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad besloot tevens tot vergoeding van griffierecht en proceskosten ten gunste van belanghebbende en wees de Staat aan als de partij die de kosten van het Hof moet vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag inkomstenbelasting 1989 tot een belastbaar inkomen van ƒ 2.007.916,--.