Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:739

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/1888 en 24/1889
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 6.1 lid 2 Wet IB 2001Art. 6:17 lid 1 sub c Wet IB 2001Art. 6:17 lid 1 sub d Wet IB 2001Art. 6:17 lid 1 sub g Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen correctie aftrek specifieke zorgkosten inkomstenbelasting 2018 en 2019

Belanghebbende maakte in haar aangiften inkomstenbelasting 2018 en 2019 aftrek van specifieke zorgkosten, waaronder vervoerskosten, medicijnen, hulpmiddelen en extra uitgaven voor kleding en beddengoed. De inspecteur corrigeerde deze aftrekposten omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de kosten daadwerkelijk door haar waren gemaakt en voldeden aan de wettelijke voorwaarden.

Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur de aangiften niet had mogen controleren vanwege haar registratie in het Fraude Signalering Voorziening-systeem (FSV) en dat het vertrouwensbeginsel en een VN-resolutie haar bescherming boden. Het hof oordeelde dat de controle rechtmatig was, de FSV-registratie niet leidde tot selectie van de aangiften en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was omdat het vertrouwen tijdig was opgezegd.

Het hof wees het beroep af omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij hogere kosten had gemaakt dan de inspecteur had geaccepteerd. Ook de stelling dat de AVG de gegevensverwerking verbiedt faalde, evenals het beroep op de VN-resolutie. Er werd geen schadevergoeding toegekend en het griffierecht en proceskosten werden niet vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen inkomstenbelasting 2018 en 2019 worden bevestigd met de door de inspecteur vastgestelde correcties.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1888 en 24/1889
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 november 2024, zaaknummers BRE 23/2887 en 23/3908, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2018 en voor het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (2018) respectievelijk vergoed (2019).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019 gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep voor 2018 ongegrond en voor 2019 gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en haar gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is opgenomen geweest in het Fraude Signalering Voorziening-systeem
(hierna: FSV-systeem). In FSV-systeem waren drie aantekeningen opgenomen die zien op de jaren 2010 tot en met 2012. Belanghebbende heeft hierover een brief ontvangen waarbij een schadevergoeding is toegekend van € 750.
2.2.
Belanghebbende heeft over de jaren 2014 en 2015 aangifte IB/PVV gedaan en daarin specifieke zorgkosten in aftrek genomen. Op 19 januari 2017 heeft de inspecteur belanghebbende een brief gestuurd. Daarin staat (voor zover relevant):
‘Er is door beoordelingen van de aangiften in het verleden sprake van een opgewekt vertrouwen voor specifieke zorgkosten voor de aangiften van de jaren 2014 en 2015. (...) Het opgewekt vertrouwen met betrekking tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten zeg ik per 1 januari 2017 op.’.
2.3.
Belanghebbende heeft gezondheidsproblemen als gevolg waarvan zij in de jaren 2018 en 2019 diverse uitgaven heeft gedaan. Zij heeft uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek genomen in haar aangiften IB/PVV 2018 en 2019.
2.4.
Op 22 maart 2019 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 op papier ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dat volgt uit de aangifte bedraagt nihil. Daarbij heeft zij aangegeven aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking een bedrag van € 15.229, aan uitgaven voor specifieke zorgkosten € 13.777 en aan restant persoonsgebonden aftrek € 26.000.
2.5.
In afwijking van de aangifte heeft de inspecteur bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 een bedrag van € 1.124 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek toegelaten, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens het verzamelinkomen) uitkomt op € 11.686. Daarbij heeft hij een bedrag van € 2.419 als restant persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren verrekend. Het restant persoonsgebonden aftrek voor volgende jaren heeft de inspecteur vastgesteld op nihil.
De in aanmerking genomen uitgaven voor specifieke zorgkosten bestaat uit de volgende elementen:
Uitgaven voor vervoer:
€ 432
Uitgaven voor dieetkosten
€ 250
Uitgaven voor kleding en beddengoed:
€ 300
+
Subtotaal:
€ 982
Verhoging (40%)
€ 393
+
Uitgaven voor zorgkosten voor drempel:
€ 1.375
Inkomensafhankelijke drempel:
€ 251
-/-
Aftrekbaar bedrag:
€ 1.124
2.6.
De aanslag IB/PVV 2018 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.686. Daarnaast is bij beschikking € 172 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.7.
Op 26 maart 2020 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 op papier ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dat volgt uit de aangifte bedraagt nihil. Daarbij heeft zij aangegeven aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking een bedrag van € 15.543, aan uitgaven voor specifieke zorgkosten € 8.921 en aan restant persoonsgebonden aftrek € 24.548.
2.8.
De aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 van belanghebbende is door het systeem van de Belastingdienst aangewezen voor handmatige controle met de volgende aanduiding:
‘H180: Specifieke zorgkosten (aftrek (8921)) beoordelen: zie ook correctiezorgkosten vorig jaar (aangegeven (13777), vastgesteld 1124);
H262: Beoordeel restant persoonsgebonden aftrek; in aangifte belpl (24548) geen staffel ABS aanwezig (geen fiscaal partner).’.
2.9.
In afwijking van de aangifte heeft de inspecteur bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 een bedrag van € 735 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek toegelaten. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 14.808. De in aanmerking genomen uitgaven voor specifieke zorgkosten bestaat uit de volgende elementen:
Uitgaven voor vervoer:
€ 408
Uitgaven voor kleding en beddengoed:
€ 300
+
Subtotaal:
€ 708
Verhoging (40%)
€ 283
+
Uitgaven zorgkosten voor drempel:
€ 991
Inkomensafhankelijke drempel:
€ 256
-/-
Aftrekbaar bedrag:
€ 735
2.10.
De aanslag IB/PVV 2019 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.808. Daarnaast is bij beschikking € 21 belastingrente vergoed.
2.11.
Tijdens de bezwaarfase met betrekking tot de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 accepteert de inspecteur een bedrag van € 141 aan uitgaven voor medicijnen in aanvulling op de in de definitieve aanslag geaccepteerde uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het aftrekbare bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten komt daarmee op € 933. De inspecteur berekent het verzamelinkomen op € 14.610. Dit bestaat uit de volgende elementen:
Inkomen uit vroegere dienstbetrekking: € 15.543
Persoonsgebonden aftrek:
933-/-
Verzamelinkomen: € 14.610
2.12.
De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2019 gegrond verklaard en de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.188 en de rentebeschikking dienovereenkomstig aangepast.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Kan belanghebbende aanspraak maken op hogere aftrek voor zorgkosten?
- Mocht de inspecteur de aangiften IB/PVV over 2018 en 2019 controleren en corrigeren gelet op belanghebbendes vermelding in het FSV-systeem?
- Heeft de inspecteur in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld?
- Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de resolutie A/RES/48/96 van de Verenigde Naties (hierna: de VN-resolutie)?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 tot nihil. Tevens vraagt belanghebbende om schadevergoeding. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Uitgaven voor specifieke zorgkosten
4.1.
Op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) [1] kunnen uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen als deze op de belastingplichtige hebben gedrukt. In de Wet IB 2001 [2] is opgesomd welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. Onder specifieke zorgkosten vallen onder meer uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, geneesmiddelen en vervoer. Het hof zal hierna per post beoordelen of belanghebbende aanspraak kan maken op aftrek voor die uitgaven.
4.2.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten dan tot nu toe geaccepteerd. Het geschil op dit punt gaat over de hoogte van de aftrek van uitgaven voor medicijnen en hulpmiddelen (2018 en 2019) voor vervoerskosten (2018 en 2019), en uitgaven voor kleding en beddengoed (2018 en 2019). De inspecteur heeft gemotiveerd bestreden dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek voor de posten die in geschil zijn, dan tot nu toe is verleend.
4.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur geen gegevens over ziektekosten mag opvragen, omdat dit in strijd is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Het hof stelt voorop dat, ongeacht de AVG, de bewijslast op belanghebbende rust dat sprake is van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Belanghebbende vraagt immers een aftrek. Dat betekent dat belanghebbende aannemelijk moet maken:
- dat zij de uitgaven heeft gedaan;
- dat deze op haar drukken (dus bijvoorbeeld niet door anderen zijn betaald of door een verzekeraar of gemeente aan haar zijn vergoed); en
- dat de uitgaven voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek.
Vervoerskosten
4.4.
Belanghebbende heeft in zowel 2018 als 2019 kosten van vervoer voor het verkrijgen van geneeskundige hulp in aftrek genomen. Belanghebbende heeft behalve Excel-overzichten met ritten geen bewijs van de gemaakte kosten overgelegd. De inspecteur heeft geaccepteerd de kosten waarvan belanghebbende aangeeft dat deze voor doktersbezoek zijn gemaakt. De inspecteur accepteert daarbij een bedrag van € 0,30 per kilometer. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat zij hogere kosten gemaakt heeft.
4.5.
Daarnaast stelt belanghebbende extra (leef)kilometers te hebben gemaakt wegens haar ziekte. Voor deze kilometers geldt dat alleen een aftrek als specifieke zorgkosten mogelijk is, als belanghebbende aannemelijk maakt dat deze kosten rechtstreeks verband houden met haar ziekte en zij in totaal meer reiskosten heeft gemaakt dan een vergelijkbare belastingplichtige die niet ziek is (de zogenoemde ‘maatman’). [3] Belanghebbende heeft naar het oordeel van het hof niet aan deze bewijslast voldaan. Zij heeft een lijst van ritten overgelegd en een inschatting gemaakt van haar kosten. Het overzicht is niet controleerbaar en niet onderbouwd met aanvullende stukken. In het door belanghebbende overgelegde overzicht van autokosten is voor een auto van 16 jaar een afschrijvingspercentage opgevoerd van meer dan 10% van de nieuwwaarde destijds. Het hof acht niet aannemelijk dat een dergelijk afschrijvingspercentage reëel is. Daarnaast heeft belanghebbende niet verder onderbouwd welke kosten zij meer heeft gemaakt ten opzichte van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een vergelijkbare positie verkeren.
4.6.
De inspecteur heeft onder meer gesteld dat niet aannemelijk is dat alle opgevoerde reiskosten daadwerkelijk door belanghebbende zelf zijn betaald.
Belanghebbende heeft kwitanties overgelegd die door de gemachtigde van belanghebbende lijken te zijn opgesteld, en er is geen goede verklaring hoe belanghebbende het geld heeft verkregen om deze bedragen te betalen. In antwoord op vragen van de inspecteur op dit punt heeft belanghebbende aangegeven dit te hebben betaald met de opbrengst van verkopen op Marktplaats. Ter zitting heeft belanghebbende echter verklaard nooit iets op Marktplaats te hebben verkocht. Omdat de verklaringen van belanghebbende tegenstrijdig zijn, acht het hof evenmin aannemelijk gemaakt dat de kosten van eventuele meerkosten op haar hebben gedrukt. Ook om die reden is de aftrek van deze in de aangifte opgevoerde uitgaven naar het oordeel van het hof terecht niet in aftrek toegelaten.
Farmaceutische hulpmiddelen
4.7.
Op grond van de Wet IB 2001 (tekst 2018 en 2019) [4] kunnen kosten van farmaceutische hulpmiddelen als specifieke zorgkosten in aftrek worden genomen, mits deze farmaceutische hulpmiddelen zijn verstrekt op voorschrift van een arts. Belanghebbende heeft een doktersvoorschrift uit 1992 in verband met een zwangerschap overgelegd. Verder heeft zij geen voorschriften van een arts overgelegd. Het voorschrift uit 1992 ziet niet op 2018 en 2019. Daarnaast heeft belanghebbende een voorschrift van een praktijk voor traditionele Chinese geneeswijzen en van een fysiotherapeut overgelegd. Dat zijn echter geen voorschriften van een arts, als bedoeld in de Wet IB 2001. [5] De verklaring van 23 april 2023 van de huisarts die belanghebbende bij haar reactie op het verweerschrift in hoger beroep van de inspecteur heeft overgelegd, vormt geen doktersvoorschrift. Het gaat hier om een beschrijving van middelen die in het medisch dossier van belanghebbende zijn genoemd. Belanghebbende heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor farmaceutische hulpmiddelen die door een arts zijn voorgeschreven.
Andere hulpmiddelen
4.8.
De Wet IB 2001 [6] bepaalt dat hulpmiddelen als specifieke zorgkosten kunnen worden afgetrokken, als deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk [7] door zieke of invalide personen worden gebruikt. Dit hoofdzakelijkheidsvereiste is als voorwaarde in de wet opgenomen. Voor zover belanghebbende betoogt dat dit geen wettelijk vereiste is, gaat dat betoog niet op.
Belanghebbende stelt dat artsen haar hebben aangeraden om ontspanning te zoeken met een hobby. Belanghebbende heeft daartoe hobby-artikelen (onder andere DVD’s, boeken, benodigdheden om sieraden te maken) aangeschaft. Deze hobby-artikelen vormen echter geen hulpmiddelen die hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Deze uitgaven kunnen daarom niet als specifieke zorgkosten worden aangemerkt.
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
4.9.
Op grond van de Wet IB 2001 [8] (tekst 2018 en 2019) kunnen extra uitgaven voor kleding en beddengoed als specifieke zorgkosten worden aangemerkt. De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 [9] (tekst 2018 en 2019) bepaalt dat extra uitgaven voor kleding en beddengoed in aanmerking worden genomen voor een bedrag van € 300 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 600 te boven gaan, voor een bedrag van € 750. De inspecteur heeft voor zowel 2018 als 2019 een aftrek van € 300 geaccepteerd. Het ligt op de weg van belanghebbende om te doen blijken dat haar extra uitgaven voor kleding en beddengoed de grens van € 600 te boven gaan. Daarbij is van belang welke kosten zij gemaakt heeft, maar ook dat het gaat om extra kosten ten opzichte van een niet-zieke vergelijkbare personen. Met de betalingsbewijzen die belanghebbende heeft overgelegd voldoet zij niet aan deze bewijslast. De omschrijvingen op de betaalbewijzen zijn onduidelijk, de betaalbewijzen staan in een aantal gevallen niet op haar naam en daarnaast heeft zij niet onderbouwd in hoeverre er sprake is van extra kosten. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de aftrek hoger moet zijn dan de geaccepteerde € 300 per jaar.
De registratie in het FSV-systeem
4.10.
Belanghebbende stond tot 2014 geregistreerd in FSV-systeem. Het hof verstaat de stelling van belanghebbende zo dat de controle en correctie van haar aangiften over 2018 en 2019 zijn voortgevloeid uit de FSV-registratie. Dit brengt mee, zo begrijpt het hof, dat belanghebbende stelt dat de bij die controle aan het licht gekomen punten niet mogen leiden tot een correctie van de aangiften.
4.11.
In zijn arrest van 10 december 2021 [10] , heeft de Hoge Raad overwogen dat het niet onrechtmatig is om een onderzoek in te stellen voor bepaalde belastingjaren (hier: 2018 en 2019) nadat bij een controle van de aangiften voor eerdere belastingjaren was geconstateerd dat daarin opgenomen aftrekposten niet konden worden onderbouwd. Het is ook niet onrechtmatig als de gegevens van de belastingplichtige zijn opgeslagen in een bestand, en zelfs niet indien die gegevensverwerking op zichzelf beschouwd onrechtmatig is, aldus de Hoge Raad. De rechtmatigheid van belastingaanslagen wordt in beginsel dus niet aangetast door de manier waarop de Belastingdienst de informatie over een belastingplichtige heeft verwerkt.
4.12.
Het kan wel onrechtmatig zijn een controle in te stellen als dit is voortgevloeid uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat tegenover de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Een belastingplichtige moet dan stellen en onderbouwen dat hier in zijn situatie sprake van is geweest. Vervolgens dient de inspecteur aan de belastingplichtige en de rechter de gegevens te verstrekken die voor de beoordeling hiervan van belang kunnen zijn.
4.13.
Belanghebbende heeft over de schending van grondrechten niets aangevoerd. Zij heeft alleen gesteld dat zij de FSV-registratie onrechtmatig acht en dat de controle naar aanleiding daarvan dat eveneens is.
4.14.
De inspecteur heeft gesteld dat het niet de FSV-registratie was die heeft geleid tot de selectie (uitworp) van de onderhavige aangifte. De aangiften IB/PVV 2018 en 2019 van belanghebbende zijn volgens de inspecteur voor nadere controle geselecteerd door het systeem in verband met de correctie van zorgkosten in het voorgaande belastingjaar.
4.15.
Het hof acht de toelichting van de inspecteur aannemelijk en is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is dat de registratie in het FSV-systeem heeft geleid tot enige selectie of controle in het kader van de belastingheffing over 2019 en 2019 van belanghebbende. De eerdere FSV-registratie is daarom geen beletsel om de aangiftes IB/PVV 2018 en 2019 te controleren en te corrigeren.
Vertrouwensbeginsel
4.16.
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel zich verzet tegen de correcties in de aangiftes IB/PVV 2018 en 2019. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid een toezegging of andere uitlating is gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [11]
4.17.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van 2018 en 2019 enig vertrouwen is gewekt. Voor zover zij betoogt dat het gewekte vertrouwen voor 2014 en 2015 niet in 2017 kon worden opgezegd, faalt dat betoog. De inspecteur is bevoegd tot het opzeggen van vertrouwen. [12] Dit heeft de inspecteur tijdig gedaan voor het jaar 2018 en 2019 met de brief van 17 januari 2017 (zie 2.2). Het hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
VN-resolutie
4.18.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de VN-resolutie. Belanghebbende stelt dat op grond van de VN-resolutie geen beperkingen aan de aftrek van hulpmiddelen voor re-integratie mogen worden gesteld. Op grond van de artikelen 93, 94 en 95 Grondwet heeft de VN-resolutie directe werking, aldus belanghebbende.
4.19.
De door belanghebbende genoemde bepalingen uit de VN-resolutie houden een opdracht aan de Staat in om maatregelen te nemen met als doel de rechten van personen met een handicap te verzekeren. Deze bepalingen geven niet aan welke maatregelen de Staat moet nemen en hoe een Staat dit precies moet doen. Het hof is van oordeel dat de tekst en inhoud van deze bepalingen niet bedoeld zijn voor rechtstreekse werking. Daarnaast is niet voldoende duidelijk gemaakt hoe en waarom de Wet IB 2001 in strijd is met de VN- resolutie. Het is de rechter – gelet op artikel 120 Grondwet Pro – verder niet toegestaan wettelijke bepalingen te toetsen aan de Grondwet.
Overige stellingen
4.20.
De overige stellingen die belanghebbende ter zitting bij de rechtbank heeft ingenomen over de vraag of een inspecteur een aanslag moet ondertekenen of dat de vertegenwoordigers namens de inspecteur mogen optreden, zijn door rechtbank verworpen. Het hof acht de overwegingen van de rechtbank die zij aan die verwerping ten grondslag heeft gelegd (rechtsoverwegingen 7. en 7.1) juist en op goede gronden gegeven en maakte deze tot de zijne.
Tussenconclusie
4.21.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding
4.22.
Er is geen reden voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard.
Ten aanzien van het griffierecht
4.23.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.24.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, J.M. van der Vegt en C.W.M.M. Verkoijen in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J. Rietveld
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, lid 2, aanhef en letter d.
2.Artikel 6.17.
3.Hoge Raad 15 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3847.
4.Artikel 6.17, lid 1, sub c.
5.Artikel 6.17, lid 1, sub c.
6.Artikel 6:17 lid Pro 1, sub d Wet IB 2001 (tekst 2018 en 2019).
7.Volgens de Hoge Raad moet dit worden uitgelegd als “70%”, zie Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:750.
8.Artikel 6.17, lid 1, sub g.
9.Artikel 38 Uitvoeringsregeling Pro inkomstenbelasting 2001.
11.Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
12.Hoge Raad 30 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5396; Hoge Raad 28 februari 2003 ECLI:NL:PHR:2003:AE6422.