ECLI:NL:GHSHE:2026:592

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/373
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet waardering onroerende zakenArtikel IV, lid 2, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak

Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor 2021 werd vastgesteld op € 193.000. De rechtbank verlaagde deze waarde naar € 183.000 en kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 50 per half jaar, totaal € 100.

Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte dit lage bedrag toekende. Volgens het overgangsrecht is de wettelijke vergoeding van € 50 per half jaar niet van toepassing omdat de redelijke termijn aanving vóór 1 januari 2024. De Hoge Raad heeft bepaald dat bij een overschrijding van minder dan twaalf maanden en een financieel belang onder € 1.000 een bagatelgrens geldt, maar deze is niet van toepassing omdat belanghebbende tijdig om vergoeding verzocht en de termijn al was overschreden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn met elf maanden is overschreden en dat het uitgangspunt een vergoeding van € 500 per half jaar is. Dit leidt tot een vergoeding van € 1.000. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van 3/11e deel (€ 272,72) en de minister tot betaling van 8/11e deel (€ 727,28). Daarnaast worden griffierecht en proceskosten verdeeld tussen beide partijen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor het onderdeel vergoeding immateriële schade.

Uitkomst: Het hof kent een hogere vergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding redelijke termijn en veroordeelt heffingsambtenaar en minister tot betaling van respectievelijk € 272,72 en € 727,28.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/373
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 januari 2024, nummer BRE 22/20 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,
hierna: de heffingsambtenaar.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 193.000. De rechtbank heeft deze waarde verlaagd naar € 183.000, en heeft de aanslag onroerendezaakbelastingen overeenkomstig verminderd. Omdat het beroep gegrond is, heeft de rechtbank beslist dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een vergoeding van € 2.470 dient te betalen voor de kosten van bezwaar en de proceskosten, en een vergoeding van het betaalde griffierecht van € 49. Daarnaast heeft de rechtbank wegens een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase van elf maanden, aan belanghebbende een vergoeding van € 50 per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn overschreden is, toegekend. Dit bedrag, van in totaal € 100, is voor 3/11e deel (€ 27,27) toegerekend aan de heffingsambtenaar om te betalen, en voor het overige (€ 72,73) aan de minister.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 4 maart 2021 ontvangen, en heeft op 25 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan.
2.3.
De rechtbank heeft het beroepschrift op 4 januari 2022 ontvangen, en heeft op 31 januari 2024 uitspraak gedaan.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht is uitgegaan van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 50 per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van € 500 per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
In artikel 30a, lid 3, Wet waardering onroerende zaken staat dat bij overschrijding van de redelijke termijn in een zaak als de onderhavige in beginsel een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend van € 50 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het hof overweegt dat deze bepaling echter niet van toepassing is, omdat deze bepaling volgens het overgangsrecht [1] eerst toepassing vindt op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn aanvangt na 1 januari 2024. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 4 maart 2021.
4.2.
In het arrest van 14 juni 2024 [2] heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt (de zogeheten bagatelgrens), en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Het hof overweegt dat uit overweging 3.5 van het arrest volgt dat dit niet geldt voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om de vergoeding heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden. In dit geval heeft belanghebbende eerst ter zitting bij de rechtbank, op 20 december 2023, verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, en was de redelijke termijn al op 4 maart 2023 overschreden. Dat betekent dat een bagatelgrens van € 15 dient te worden gehanteerd. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte deze grens op € 500 gesteld. Het hof acht aannemelijk dat het financiële belang bij de procedure groter is dan € 15, zodat op die grond geen aanleiding bestaat om geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen.
4.3.
Gelet op het voorgaande dient te worden uitgegaan van het door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2016 [3] neergelegde uitgangspunt, namelijk dat, indien de redelijke termijn is overschreden, voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In dit geval is sprake van een overschrijding van (naar boven afgerond) elf maanden. Dat betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van omstandigheden die aanleiding geven om dit bedrag te matigen.
4.4.
Het hof zal de heffingsambtenaar veroordelen tot vergoeding van 3/11e deel (€ 272,72) van de schade, omdat de overschrijding van elf maanden voor drie maanden toe te rekenen is aan de duur van de bezwaarfase, en zal de minister veroordelen tot vergoeding van het overige (€ 727,28). Voor deze vergoedingen geldt dat ze moeten worden uitbetaald op een bankrekening op naam van belanghebbende. [4]
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van het door hem bij het hof betaalde griffierecht van € 138, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Aangezien zowel de heffingsambtenaar als de minister veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zal de vergoeding van het griffierecht in hoger beroep deels moeten plaatsvinden door de heffingsambtenaar en deels door de minister, waarbij het hof om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid uitgaat van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (€ 69). [5]
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Belanghebbende heeft recht op vergoeding van de kosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 punt (voor het beroepschrift) x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (wegingsfactor) is € 233,50. Het hof gaat uit van wegingsfactor “licht” (0,25), aangezien het geschil een zeer eenvoudige vraag betreft over een nevenvordering. [6]
4.8.
Aangezien zowel de heffingsambtenaar als de minister veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zal de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep deels moeten plaatsvinden door de heffingsambtenaar en deels door de minister, waarbij het hof om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid uitgaat van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt (€ 116,75). [7]

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de te betalen vergoeding van immateriële schade door de heffingsambtenaar en de minister;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 272,72;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 727,28;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof voor een bedrag van € 69 vergoedt;
  • bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof voor een bedrag van € 69 vergoedt;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel IV, lid 2, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm.
4.Artikel 30a, lid 4, Wet WOZ.
5.Vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.14.2.
6.Zie onder 1.2.c van de bijlage bij de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
7.Vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.14.2.