ECLI:NL:GHSHE:2026:192

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/217 ev middag
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:68 AwbArt. 8:71 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht in belastingzaken

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan over een groot aantal hoger beroepen van diverse belanghebbenden tegen uitspraken van rechtbanken in belastingzaken. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbenden ontvankelijk konden worden verklaard in hoger beroep, nu het griffierecht niet, niet tijdig of slechts gedeeltelijk was betaald.

Het hof stelde vast dat de griffierechtnota's en herinneringsnota's door of namens de gemachtigde van de belanghebbenden waren ontvangen, en dat het beroep op betalingsonmacht onvoldoende was gemotiveerd. De stelling dat post verkeerd was bezorgd werd verworpen, mede omdat de gemachtigde in meerdere zaken dezelfde stelling innam zonder bewijs van foutieve bezorging.

Het hof wees ook het verzoek tot heropening van het onderzoek af wegens gebrek aan motivatie. Verder oordeelde het hof dat de belanghebbenden in verzuim waren geweest met de betaling van het griffierecht en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Het hof deed geen uitspraak over de inhoudelijke belastinggeschillen en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat het hoger beroep niet ontvankelijk was.

Ten slotte verklaarde het hof zich onbevoegd ten aanzien van de klacht over de weigering om toegang te krijgen tot het rekening-courantsysteem van de Rechtspraak voor betaling van griffierechten. De uitspraak werd gedaan door raadsheer M.J.C. Pieterse en griffier A. Muller op 28 januari 2026.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet, niet-tijdige of onvolledige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummers: 24/217, 24/223 en 24/224, 24/259, 24/273, 24/353 en 24/354, 24/355, 24/356, 24/357, 24/358, 24/367 en 24/368, 24/369 en 24/370, 24/448, 24/449 tot en met 24/451, 24/570 tot en met 24/572, 24/685, 24/687, 24/688, 24/689 en 24/690, 24/691, 24/694, 24/695, 24/696, 24/697, 24/698, 24/699, 24/700, 24/701, 24/702, 24/703, 24/704, 24/706, 24/709, 24/710 en 24/711, 24/721 en 24/722, 24/723 en 24/724, 24/725 en 24/726, 24/727 tot en met 24/729, 24/730 tot en met 24/734, 24/735 en 24/736, 24/756, 24/758, 24/759, 24/761, 24/762, 24/765 tot en met 24/772, 24/777 en 24/778, 24/779 tot en met 24/782, 24/783 tot en met 24/793, 24/794 en 24/795, 24/796 en 24/797, 24/800 en 24/801, 24/802 tot en met 24/808, 24/824 tot en met 24/828, 24/836, 24/948 tot en met 24/953, 24/1085, 24/1332, 24/1333, 24/1341 tot en met 24/1343, 24/1930, 24/1932 en 24/1933.
Uitspraken op het door [gemachtigde] , namens [kantoornaam] ingestelde hoger beroep in het geding tussen
elke belanghebbende genoemd in de bijlage bij deze uitspraak,
hierna: belanghebbenden,
en
elke heffingsambtenaar genoemd in de bijlage bij deze uitspraak,
hierna: de heffingsambtenaar.
Het hof verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak waarop vermeld staat tegen welke uitspraak van welke rechtbank hoger beroep is ingesteld.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaren hebben uitspraken op bezwaar gedaan.
1.2.
Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken evenzovele beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft uitspraken gedaan.
1.3.
[gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) treedt namens [kantoornaam] op in alle zaken van belanghebbenden. Namens belanghebbenden heeft [gemachtigde] tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.4.
Belanghebbenden hebben vóór 9 oktober 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.5.
Op 9 oktober 2025 heeft [gemachtigde] namens belanghebbenden in alle zaaknummers de behandelend raadsheer gewraakt. Daarom is de mondelinge behandeling ter zitting geschorst en is een proces-verbaal opgemaakt.
Met zijn uitspraak van 16 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de behandeld raadsheer buiten behandeling gesteld en tevens bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van [gemachtigde] , ingediend namens belanghebbenden, niet in behandeling wordt genomen omdat sprake is van misbruik van het rechtsmiddel wraking. [1]
1.6.
Nadien hebben belanghebbenden nadere stukken ingediend welke aan de andere partijen zijn doorgezonden.
1.7.
De nadere zitting heeft, na akkoord van partijen, op digitale wijze plaatsgevonden op 18 december 2025 met gebruikmaking van Microsoft Teams. Aan de digitale zitting heeft alleen [gemachtigde] deelgenomen. Voorafgaand aan de nadere zitting hebben de respectievelijke heffingsambtenaren laten weten dat zij niet zullen deelnemen.
Op deze zitting zijn gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld de nummers 24/217, 24/223 en 24/224, 24/259, 24/273, 24/353 tot en met 358, 24/367 tot en met 24/370, 24/448 tot en met 24/451, 24/570 tot en met 24/572, 24/685, 24/687 tot en met 24/691, 24/694 tot en met 24/704, 24/706, 24/709, 24/710 en 24/711, 24/721 tot en met 24/736, 24/756, 24/758, 24/759, 24/761, 24/762, 24/765 tot en met 24/772, 24/777 tot en met 24/797, 24/800 tot en met 24/808, 24/824 tot en met 24/828, 24/836, 24/948 tot en met 24/953, 24/1085, 24/1332, 24/1333, 24/1341 tot en met 24/1343, 24/1930, 24/1932 en 24/1933.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting in elke afzonderlijke zaak het onderzoek gesloten.
1.9.
Op 23 december 2025 heeft het hof een brief van 18 december 2025 van [gemachtigde] ontvangen, waarin [gemachtigde] onder meer verzoekt om heropening van het onderzoek in alle zaken. Op 30 december 2025 heeft het hof een afschrift van diezelfde brief van 18 december 2025 van [gemachtigde] ontvangen, waarin [gemachtigde] – handgeschreven – zijn brief van 18 december 2025 in herinnering brengt.
1.10.
Hoewel het om verscheidene belanghebbenden gaat, doet het hof hierbij in één geschrift uitspraken in alle in de aanhef genoemde zaken. Gelet op de algemene wijze waarop [gemachtigde] heeft geprocedeerd middels gelijkluidende brieven en de omstandigheid dat in alle zaken – al dan niet ter zitting – in meer of mindere mate dezelfde stellingen zijn betrokken door / namens belanghebbenden, het hof wijst op het proces-verbaal van de zitting, doet het hof uitspraken in de zaken in één geschrift.
1.11.
Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraken aan partijen is verzonden.

2.Feiten

2.1.
Aan de indiener van het hoger beroep heeft de griffier van het hof in de hoger beroepen met de nummers 24/217, 24/223, 24/259, 24/273, 24/353 tot en met 358, 24/367 tot en met 24/370, 24/448 tot en met 24/451, 24/570, 24/685, 24/687 tot en met 24/691, 24/694 tot en met 24/704, 24/706, 24/709, 24/710, 24/721, 24/723, 24/725, 24/727, 24/730, 24/735, 24/756, 24/758, 24/759, 24/761, 24/762, 24/765, 24/777, 24/779, 24/783, 24/794, 24/796, 24/800, 24/802, 24/824, 24/836, 24/948, 24/951, 24/1085, 24/1332, 24/1333, 24/1341 tot en met 24/1343, 24/1930, 24/1932 en 24/1933, een nota griffierecht gestuurd.
Ter zake van de overige ter zitting behandelde zaaknummers is sprake van samenhang en is dan ook geen nota griffierecht uitgereikt.
2.2.
Nadat was gebleken dat de in onderdeel 2.1 bedoelde nota griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald, is in de in onderdeel 2.1 genoemde zaaknummers aangetekend een herinneringsnota (hierna: de herinneringsnota) gestuurd met telkens een betaaltermijn van vier weken.
Uit de track en tracegegevens van PostNL volgt dat de herinneringsnota in de hoger beroepen met de nummers 24/217, 24/223, 24/259, 24/273, 24/353 tot en met 358, 24/367 tot en met 24/370, 24/1930, 24/1932 en 24/1933 door of namens [gemachtigde] is afgehaald op het adres [adres] in [plaats] .
In alle zaken is door belanghebbende tijdig een beroep op betalingsonmacht gedaan. Dit beroep op betalingsonmacht is door de griffier voorlopig afgewezen.
2.3.
In elk van de hoger beroepen met de nummers 24/1930, 24/1932 en 24/1933 is van het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 559, een bedrag van € 59 betaald.
In elk van de hoger beroepen met de nummers 24/353, 24/358 en 24/570 is het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht betaald na afloop van de in onderdeel 2.2 genoemde termijn van vier weken, met gebruikmaking van het betalingskenmerk dat vermeld staat op de herinneringsnota.
In de overige in onderdeel 2.1 genoemde nummers is het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet betaald.
2.4.
Het hof heeft aan partijen voorafgaand aan de zitting en de nadere zitting bericht dat de behandeling ter zitting van alle zaken, zich vooralsnog beperkt tot de vraag of belanghebbenden kunnen worden ontvangen in hoger beroep.
Het hof heeft aan [gemachtigde] met datum 24 september 2025 – vooruitlopend op de zitting van 9 oktober 2025 – een brief gestuurd met daarbij een tweetal lijsten met daarop de zaaknummers van alle ter zitting te behandelen zaken. Op genoemde lijsten heeft het hof voor elk zaaknummer zijn constateringen met betrekking tot het – al dan niet – betalen van het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht vermeld. Het hof heeft in de brief van 24 september 2025 vermeld:
“In de op deze beide lijsten vermelde hoger beroepen heeft het hof geen vragen aan u. Wat het hof betreft is een mondelinge behandeling ter zitting dan ook niet noodzakelijk.
Graag verneemt het hof of u ten aanzien van bovengenoemde constateringen van het hof inhoudelijke aanvullingen heeft die een mondelinge behandeling ter zitting behoeven. Ook verneemt het hof graag van u of belanghebbenden (of u namens belanghebbenden) – gelet op het vorenstaande – de desbetreffende hoger beroepen willen (wilt) intrekken dan wel door wensen (wenst) te zetten.
Het hof ziet uw reactie graag uiterlijk 2 oktober 2025 tegemoet.”
[gemachtigde] noch belanghebbenden hebben gereageerd op de brief van 24 september 2025.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of belanghebbenden kunnen worden ontvangen in hoger beroep.
3.2.
Belanghebbenden concluderen dat dat het geval is.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.0.1.
Het hof merkt de in onderdeel 1.9 vermelde brieven aan als verzoeken tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb). Het hof heeft in dat wat [gemachtigde] aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan omdat [gemachtigde] niet heeft gemotiveerd waarom het onderzoek ter zitting onvolledig is geweest. Het hof rekent deze brieven van [gemachtigde] niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
4.0.2.
Op 19 en 24 september 2025 zijn de belanghebbenden in de hoger beroepen met de nummers 24/259, 24/369, 24/370, 24/449, 24/450, 24/451, 24/689 en 24/690 in staat van faillissement geraakt. Partijen in deze nummers zijn reeds voorafgaand aan het faillissement uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Om redenen van proceseconomie heeft het hof de beoordeling, wie de belanghebbenden in de hoger beroepen met deze nummers rechtsgeldig mag vertegenwoordigen, achterwege gelaten, ook gelet op het navolgende en het tijdsverloop dat ligt tussen de faillietverklaring en de mondelinge behandeling ter zitting op 9 oktober 2025.
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Artikel 8:41 Awb Pro luidt voor onderhavig jaar voor zover van belang als volgt: [2]
“1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. (…)
4. De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
5. Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
6. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”
4.2.
Vanwege het instellen van hoger beroep heeft de griffier van het hof de indiener van het hoger beroep, middels de in onderdeel 2.1 genoemde nota griffierecht, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht, als bedoeld in artikel 8:41, lid 1, Awb.
4.3.
Middels de herinneringsnota heeft het hof gewezen op het risico dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard in geval van niet-tijdige betaling en is aan belanghebbenden gemeld dat er na ommekomst van bedoelde termijn geen nieuwe gelegenheid zal worden geboden om het griffierecht te betalen. Per hoger beroep zijn op beide in de onderdelen 2.1 en 2.2 genoemde nota’s het zaaknummer van het hof, de naam van belanghebbende en de naam van de andere partij vermeld.
4.4.
Omdat het verschuldigde bedrag aan griffierecht niet (volledig) door het hof is ontvangen binnen de termijn van vier weken, is het hoger beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.5.
[gemachtigde] heeft namens belanghebbenden in hoger beroep gesteld dat:
Hij nooit de aangetekend gestuurde nota’s griffierecht (herinneringsnota’s) heeft ontvangen.
Post door PostNL wordt verwisseld dan wel verkeerd wordt bezorgd, wat – naar het hof begrijpt – volgens [gemachtigde] niet belanghebbenden kan en mag worden aangerekend. Het hof moet rekening houden met een foutmarge in die zin dat post verkeerd is bezorgd, aldus belanghebbenden.
De nota griffierecht onjuist is geredigeerd waardoor bij belanghebbenden onduidelijkheid is ontstaan en belanghebbenden niet weten om welke hoger beroepsprocedure het gaat.
4.6.
Het hof verwerpt deze stellingen en motiveert dat hierna.
Ontvangst van de nota’s griffierecht
4.7.
Uit onderdeel 2.2 volgt dat de herinneringsnota’s in de zaaknummers 24/217, 24/223, 24/259, 24/273, 24/353 tot en met 358, 24/367 tot en met 24/370, 24/1930, 24/1932 en 24/1933 door of namens [gemachtigde] zijn afgehaald en daarmee door of namens belanghebbende zijn ontvangen.
Uit onderdeel 2.3 volgt dat belanghebbende in zaaknummer 24/570 een bedrag aan griffierecht heeft betaald. Hieruit volgt dat aannemelijk is dat de herinneringsnota in zaaknummer 24/570 door of namens belanghebbende is ontvangen.
Uit onderdeel 2.2 ten slotte volgt dat in alle zaken tijdig een beroep op betalingsonmacht is gedaan. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat minstens één van de in onderdeel 2.1 en 2.2 genoemde griffierechtnota’s door of namens belanghebbenden binnen de daarvoor geldende betaaltermijn is ontvangen en faalt de stelling van [gemachtigde] dat hij de herinneringsnota’s niet heeft ontvangen.
4.8.
Uit dat wat het hof heeft overwogen in onderdeel 4.7 betreffende de ontvangst van de nota griffierecht (onderdeel 2.1) en/of de herinneringsnota, gecombineerd met het afwijzen van het beroep op betalingsonmacht (onderdeel 2.2), volgt dat belanghebbende op de hoogte was van enerzijds de noodzaak om het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht tijdig en volledig te betalen en anderzijds het risico dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard in geval van niet, niet–tijdige en/of onvolledige betaling.
4.9.
Het hof merkt op dat op de dag van de zitting, 18 december 2025, 118 hoger beroepen ter zitting zijn behandeld waarin [gemachtigde] optreedt en het griffierecht niet, niet–tijdig en/of onvolledig is betaald. [gemachtigde] heeft in al deze hoger beroepen ter zitting gesteld dat hij noch zijn cliënt de herinneringsnota heeft ontvangen. Het is het hof voorts bekend dat [gemachtigde] in andere zaken bij het hof en in zaken bij andere gerechten dezelfde stellingen betrekt. [3]
Gelet op dat wat is overwogen in de onderdelen 4.7 en 4.8 en mede gelet op het totale aantal (hoger) beroepen waarin [gemachtigde] stelt en heeft gesteld dat hij de nota griffierecht niet heeft ontvangen, acht het hof het in geen enkel onderhavig hoger beroep aannemelijk dat [gemachtigde] in dat geschil, de nota(’s) betreffende het verschuldigde griffierecht niet heeft ontvangen.
Verkeerde postbezorging en foutmarge
4.10.
[gemachtigde] heeft ter onderbouwing van de stelling vermeld in onderdeel 4.5, punt b., ter zitting gewezen op enerzijds een voorval waarin hij van de rechtbank Limburg een brief heeft ontvangen die was bedoeld voor en gericht aan het CBR en anderzijds een brief die was gedateerd op 4 december 2025 en pas door [gemachtigde] is ontvangen op 18 december 2025.
4.11.
Uit dat wat het hof heeft overwogen in onderdeel 4.7 volgt dat het hof van oordeel is dat in de zaaknummers waarvoor nota’s griffierecht zijn uitgereikt, de nota griffierecht (onderdeel 2.1) en/of de herinneringsnota door of namens de desbetreffende belanghebbende is ontvangen. Reeds hierom faalt de stelling zoals vermeld in onderdeel 4.5, punt b. Van enige ‘foutmarge’ is dan ook in de onderhavige gevallen geen sprake, wat daarvan ook zij.
4.12.
Het hof kan zich in algemene zin voorstellen dat een poststuk door PostNL verkeerd en/of te laat wordt bezorgd. Dat in één van de onderhavige zaken een nota griffierecht niet of te laat door belanghebbende of [gemachtigde] is ontvangen, dient door belanghebbende gemotiveerd te worden gesteld. Met dat wat is gesteld (onderdeel 4.10) is geen begin van twijfel gezaaid, dat de onderhavige nota griffierecht (onderdeel 2.1) of de onderhavige herinneringsnota, door PostNL verkeerd is bezorgd en/of door of namens belanghebbenden niet of te laat is ontvangen.
4.13.
[gemachtigde] heeft ter zitting gevraagd om inzage in de track en trace–uitdraaien van PostNL, waaruit volgt dat de herinneringsnota’s (door hem) zijn ontvangen. Het hof gaat reeds hierom aan dit verzoek voorbij omdat [gemachtigde] in alle zaken een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan (onderdeel 2.2). In zoverre is dus geen sprake van een situatie die op één lijn kan worden gesteld met het geval dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2021. [4] De belanghebbende in dat arrest heeft immers – in tegenstelling tot onderhavig geval – niet gereageerd op een aan haar gericht en per aangetekende post verzonden stuk.
Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen (onderdeel 4.7) volgt dat minstens één van de in onderdeel 2.1 en 2.2 genoemde griffierechtnota’s door of namens belanghebbenden binnen de daarvoor geldende betaaltermijn is ontvangen.
4.14.
Belanghebbenden in de zaaknummers 24/1930, 24/1932 en 24/1933 hebben gesteld dat er vanwege een ‘betaalfout’ te weinig griffierecht is betaald. Als gevolg van deze betaalfout had het hof belanghebbenden de gelegenheid moeten bieden deze fout te herstellen middels het toesturen van een aanvullende nota griffierecht, aldus belanghebbenden. Het hof verwerpt deze stelling onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:41, lid 6, Awb (onderdeel 4.1). Belanghebbenden hebben met de enkele, niet gemotiveerde, stelling dat sprake is geweest van een ‘betaalfout’, niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest met betrekking tot het betalen van het verschuldigde griffierecht.
4.15.
Op de zitting heeft [gemachtigde] gesteld dat hij ten onrechte niet wordt toegelaten tot het rekening–courantsysteem van de Rechtspraak voor het betalen van griffierechten. Als hij zou zijn toegelaten dan zou het griffierecht altijd tijdig worden voldaan. Deze stelling kan, wat daar ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat belanghebbenden niet in verzuim zijn geweest om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Als [gemachtigde] om wat voor reden dan ook niet wordt toegelaten tot het rekening–courantsysteem van de Rechtspraak is het aan hem om tijdig maatregelen te treffen dat het verschuldigde griffierecht wordt voldaan. De belastingrechter kan overigens geen oordeel geven over de vraag of [gemachtigde] al dan niet terecht niet wordt toegelaten tot het rekening–courantsysteem van de Rechtspraak. Daarvoor kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld (artikel 8:71 Awb Pro).
Is de nota griffierecht onjuist geredigeerd?
4.16.
[gemachtigde] heeft namens belanghebbenden gesteld dat de nota griffierecht onjuist is geredigeerd stellende dat daaruit niet volgt op welke onroerende zaak (welk adres) het hoger beroep ziet, waardoor voor hem en zijn cliënt onduidelijk is waarop de nota griffierecht ziet. Daargelaten dat ook hieruit volgt dat belanghebbenden de nota griffierecht en/of de herinneringsnota hebben ontvangen, verwerpt het hof deze stelling onder verwijzing naar onder meer de uitspraken van het hof van 8 augustus 2019 [5] en 17 oktober 2019 [6] en meer recent de uitspraken van het hof van 22 januari 2025 [7] , 19 maart 2025 [8] , 9 april 2025 [9] en 9 juli 2025 [10] , in eerdere zaken van [gemachtigde] waarin dezelfde grief is aangevoerd. Uit de toegestuurde griffierechtnota’s volgt duidelijk welke belanghebbende het betreft, welke heffingsambtenaar in het geschil betrokken is en op welk zaaknummer van het hof die nota ziet. Het was [gemachtigde] en daarmee belanghebbenden duidelijk, althans had het hen duidelijk kunnen en moeten zijn, op welk hoger beroep – en daarmee op welke onroerende zaak – de toegezonden nota griffierecht ziet.
Betalingsonmacht griffierecht
4.17.
In alle zaken heeft [gemachtigde] namens belanghebbenden een beroep op betalingsonmacht gedaan (onderdeel 2.2) stellende:
“Inzake uw dossier(s) met het(de) nummer(s) […]{ev.c.a./e.v.} bericht ik u hierdoor in ieder geval tijdig alsvolgt: namens onze klant wordt nadrukkelijk een beroep op “betalingsonmacht” gedaan. Wilt u svp bij voorrang de in dat kader te volgen procedure in gang zetten?
Bestaat vervolgens de mogelijkheid om in (deel)termijnen te betalen?”
dan wel woorden van gelijke strekking.
De griffier heeft de beroepen op betalingsonmacht middels zijn brieven van 22 april 2024, 9 augustus 2024, 13 september 2024, 11 november 2024 en 14 mei 2025 voorlopig afgewezen, gelet op het ontbreken van enige (afdoende) motivering waaruit volgt van de onmacht van de desbetreffende belanghebbende om te (kunnen) betalen.
De griffier heeft hierbij verwezen naar eerdere brieven van het hof van 15 november 2021, 3 februari 2022, 2 maart 2022, 28 juni 2022 en 30 juni 2022. In zijn brief van 28 juni 2022 heeft het hof aan [gemachtigde] onder meer geschreven:

Betalingsonmacht dan wel uitstel van betaling van griffierecht
(…)
Indien u heeft bedoeld namens uw cliënt een beroep op betalingsonmacht griffierecht te doen. dan moet dit verzoek worden voorzien van een afdoende motivering waaruit blijkt van de onmacht
van uw cliëntom te (kunnen) betalen. Een generieke verwijzing naar "Covid-19/ CoronaCrisis e.v.” is onvoldoende om te kunnen beoordelen of een belanghebbende voldoet aan de criteria die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld voor verzoeken betalingsonmacht.
Ook uw verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel - gelet op door andere overheidsinstanties verleend uitstel van betaling - is onvoldoende, al was het maar omdat u geen bewijsstukken hiervan heeft meegestuurd noch heeft gemotiveerd waarom er sprake is van gelijke gevallen. U heeft in het (recente) verleden meerdere brieven van mij ontvangen waarin - reagerend op gelijkluidende verzoeken van uw kant namens andere cliënten - het bovenstaande ook aan u is gemeld.
Indien en voor zover u heeft bedoeld in uw brief van (…) namens uw cliënt een beroep op betalingsonmacht griffierecht in te dienen, dan wijs ik dit verzoek gelet op het vorenstaande af wegens het ontbreken van een afdoende motivering. Het moet u inmiddels duidelijk zijn dat - gelet op de reacties van het gerechtshof op eerdere gelijkluidende verzoeken van uw kant namens andere cliënten - deze afdoende motivering vereist is.”
In zijn brief van 30 juni 2022 heeft het hof aan [gemachtigde] onder meer geschreven:

1. Inleidend
(…) Voorts zijn deze brieven (nagenoeg) gelijkluidend – in ieder geval voor wat betreft de daarin opgenomen verzoeken betreffende een mondelinge behandeling, vrijstelling betaling griffierechten, uitstel van betaling griffierechten, het toesturen van een herziene nota griffierecht en een splitsingsbrief – aan eerdere brieven die u in andere beroepsprocedures aan het hof heeft gestuurd en waar het hof u eerder van een antwoord heeft voorzien. Gelet op die eerdere beantwoording door het hof van bedoelde verzoeken is inmiddels duidelijk dat:
  • U in bedoelde brieven ten onrechte verzoekt om uitreiking van een nieuwe nota griffierecht. Ik wijs op eerdere (u bekende en aan u bekend gemaakte) uitspraken van dit hof en van de Hoge Raad.
  • U in bedoelde brieven in te algemene bewoordingen, namens u en/of uw onderneming(en) en/of uw cliënten, zonder toevoeging van bewijsstukken uw cliënten betreffend, verzoekt om ofwel uitstel van betaling dan wel vrijstelling van betaling van griffierecht. Uw eerdere, gelijkluidende verzoeken daartoe zijn door het hof tot nu toe alle afgewezen.
  • U ondanks herhaaldelijke eerdere verzoeken van het gerechtshof geen antwoord heeft gegeven op de vraag of u om uitstel van betaling verzoekt dan wel om vrijstelling van betaling van griffierechten.
(…)
Ik maak u erop attent dat het hof heeft besloten in de toekomst dergelijke algemeen gestelde ‘copy paste’-brieven onder verwijzing naar onderhavige brief van een zeer korte reactie te voorzien. Ik merk hierbij op dat als u in de toekomst om vrijstelling van betaling van griffierechten verzoekt namens een specifieke, met name aangeduide cliënt, uw verzoek vergezeld dient te gaan van stukken die zien op die cliënt, welke stukken het beroep op betalingsonmacht griffierecht onderbouwen/ ondersteunen.”
4.18.
Gelet op het voorgaande heeft de griffier de beroepen op betalingsonmacht van belanghebbenden terecht voorlopig afgewezen.
Tussenconclusie
4.19.
De slotsom is dat de hoger beroepen niet-ontvankelijk zijn. Het hof verklaart zich voor het overige onbevoegd.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.20.
Belanghebbenden hebben het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van hun belastinggeschil.
4.21.
Als – zoals in casu – het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege het niet betalen van griffierecht, brengt dat mee dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [11] Dat is slechts anders in het geval waarin het hof uitspraak doet nadat sinds het instellen van het hoger beroep meer dan twee jaren zijn verstreken. Het hof doet uitspraak binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep zodat bedoelde termijn niet wordt overschreden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.22.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk en verklaart zich onbevoegd voor zover [gemachtigde] klaagt over de gestelde weigering om hem toe te laten tot het rekening–courantsysteem van de Rechtspraak voor het betalen van griffierechten.
De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De raadsheer,
A. Muller M.J.C. Pieterse
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.In hoger beroep in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb.
3.Vergelijk bijvoorbeeld gerechtshof Amsterdam 21 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3077, gerechtshof ’s–Hertogenbosch 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725, gerechtshof ’s–Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:993 en gerechtshof ’s–Hertogenbosch 9 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1943.
4.Hoge Raad 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705.
5.Gerechtshof ’s–Hertogenbosch 8 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3094, r.o. 10.
6.Gerechtshof ’s–Hertogenbosch 17 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3838, r.o. 10.
7.Gerechtshof ’s–Hertogenbosch 22 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:139, r.o. 4.13.
8.Gerechtshof ’s–Hertogenbosch 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725, r.o. 4.11.
9.Gerechtshof ’s–Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:993, r.o. 4.11.
10.Gerechtshof ’s–Hertogenbosch 9 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1943, r.o. 4.8.
11.Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712, r.o. 2.3.2.