Belanghebbende was in bezwaar gegaan tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting, boete en belastingrente over de jaren 2014-2016. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet was betaald. Dit oordeel baseerde zij op de constatering dat een aangetekende brief van 20 september 2019 aan belanghebbende of diens gemachtigde was uitgereikt, zoals blijkt uit PostNL-gegevens.
Belanghebbende stelde in verzet dat noch hij noch zijn gemachtigde de brief had ontvangen en dat de brief niet op het adres van de gemachtigde kon zijn uitgereikt. De rechtbank wees het verzet af zonder belanghebbende te horen en zonder hem kennis te laten nemen van de PostNL-gegevens waarop zij haar oordeel baseerde.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank bij de beoordeling van de ontvankelijkheid ambtshalve onderzoek moet doen naar de aannemelijkheid van de door partijen aangevoerde feiten. Indien een partij betwist dat een aangetekend stuk is uitgereikt, moet de rechtbank die partij kennis laten nemen van de ter beschikking staande gegevens van PostNL en haar gelegenheid geven daarop te reageren.
De rechtbank heeft dit verzuimd, waardoor de goede procesorde is geschonden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een hernieuwde beoordeling van het verzet met inachtneming van dit arrest. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.