ECLI:NL:GHSHE:2026:182

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/121
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67d AWRArt. 3.65 Wet IB 2001Besluit Staatssecretaris van Financiën 31 augustus 2009, nr. CPP2009/1092MArt. 4 lid 3 akte oprichting maatschapArt. 5 akte oprichting maatschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling zakelijkheid rente, fiscale boekresultaat woningonttrekking en vergrijpboete in hoger beroep

Belanghebbende had een lening van 9% rente bij zijn ouders afgesloten voor de aankoop van een woning die onderdeel was van een agrarische onderneming. De inspecteur stelde de rente zakelijk vast op 4,5% en corrigeerde de waarde van de woning bij onttrekking naar privé. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de rente van 9% zakelijk was en dat de woningwaarde lager moest worden vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de rente van 4,5% juist was, de woning als ondernemingsvermogen moest worden geëtiketteerd, en stelde het boekverlies op €32.017 vast. Tevens vernietigde de rechtbank de vergrijpboete wegens onvoldoende bewijs van opzet.

In hoger beroep bevestigde het hof deze standpunten. Het hof vond dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat 9% rente zakelijk was, mede gelet op de familiaire zekerheden en marktgegevens. De waarde van de woning bij onttrekking werd vastgesteld op €350.000, met een waardevermindering van 35% wegens zelfbewoning. De vergrijpboete werd terecht vernietigd omdat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd voor opzet of voorwaardelijk opzet.

Het hof verklaarde het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de rente van 4,5%, stelt de woningwaarde op €350.000 en vernietigt de vergrijpboete, waarmee het hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond zijn verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/121
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en het incidentele hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 22/1238, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk met bijlagen ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de andere partij.
1.7.
De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.8.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.9.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.10.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1
Op 1 juli 2014 is belanghebbende in dienst getreden als belastingadviseur bij een belastingadvieskantoor (hierna: het belastingadvieskantoor).
2.2.
Vanaf 1 januari 2015 tot en met 25 juni 2018 heeft belanghebbende met zijn ouders (hierna: de ouders) en zijn twee zussen (hierna: de zussen) geparticipeerd in de maatschap ‘ [de maatschap] ’ (hierna: de maatschap). De maatschap exploiteert een agrarische onderneming op het gebied van pluimvee (hierna: de onderneming). De locatie van de onderneming en de bijbehorende woning (hierna: de woning) is gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . De tot de onderneming behorende onroerende zaken, inclusief de woning, waren eigendom van de vader van belanghebbende. De woning werd bewoond door de ouders, de zussen en belanghebbende.
2.3.
Op 11 juni 2015 heeft belanghebbende met de ouders een overeenkomst van geldlening gesloten om de woning te kunnen kopen (hierna: de lening). De leningsovereenkomst is op 22 september 2015 schriftelijk vastgelegd en heeft een looptijd van tien jaar met als ingangsdatum de datum van levering van de woning. De rentevergoeding is bepaald op 9% op jaarbasis en er geldt geen aflossingsplicht.
2.4.
De levering van de woning heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. De aankoopprijs van de woning is € 315.000. Dit bedrag is de waarde van de woning in het economische verkeer op waardepeildatum 1 juni 2015, getaxeerd door [naam] van [A BV] in opdracht van belanghebbende. In de akte van levering staat dat de woning wordt opgeleverd vrij van gebruiksrechten, leeg en ontruimd, en dat het voortgezet gebruik van verkoper als zorgvuldig schuldenaar na het sluiten der koopovereenkomst tot aan de datum van aflevering wordt geacht geen wijziging te hebben gebracht in de staat van het verkochte. Tevens vermeldt de akte dat belanghebbende aan de ouders een voorkeursrecht verleent tot koop van de woning tegen een onderling door partijen vast te stellen koopsom, en dat dat voorkeursrecht bij overlijden van de ouders overgaat op de zussen. De ouders, de zussen en belanghebbende zelf zijn na 26 november 2015 in de woning blijven wonen.
2.5.
Belanghebbende heeft de woning geactiveerd als buitenvennootschappelijk vermogen op de balans van zijn aandeel in de maatschap en de lening gepassiveerd. Belanghebbende heeft de woning laten verbouwen voor een totaalbedrag van € 87.325. Het bedrag waarvoor de woning op de balans per 31 december 2017 was geactiveerd is € 369.767, bestaande uit de aankoopprijs van € 315.000, € 6.300 aan overdrachtsbelasting en € 87.325 aan investeringen, minus € 38.858 afschrijving.
2.6.
Op 23 februari 2018 heeft taxateur [taxateur 1] van [kantoornaam 1] (hierna: taxateur [taxateur 1] ) in opdracht van belanghebbende een taxatierapport uitgebracht waarin de marktwaarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018, op basis van de staat en alle geldende omstandigheden op de inspectiedatum 22 januari 2018, is getaxeerd op € 275.000. Belanghebbende heeft dit taxatierapport gebruikt in een bezwaarprocedure tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2018 met betrekking tot de woning. Bij uitspraak op bezwaar van 22 mei 2018 is de WOZ-waarde van de woning conform het standpunt van belanghebbende verminderd van € 332.000 naar € 275.000.
2.7.
Op 25 juni 2018 heeft belanghebbende ‘ [de B.V.] ’ (hierna: de B.V.) opgericht en daarin zijn aandeel in de maatschap via een geruisloze inbreng als bedoeld in artikel 3.65 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ingebracht met ingang van 1 januari 2018, met uitzondering van de woning en de lening. Belanghebbende heeft deze vermogensbestanddelen onttrokken aan het ondernemingsvermogen en overgebracht naar zijn privévermogen. Tussen partijen is niet in geschil dat de onttrekking per ultimo 2017 heeft plaatsgevonden. Het ter zake van de onttrekking geleden boekverlies heeft belanghebbende als volgt berekend:
Waarde woning per 1 januari 2018
€ 275.000
Vermindering 35% in verband met zelfbewoning [1]
- € 96.250
Onttrekkingswaarde ultimo 2017
€ 178.750
Boekwaarde 31-12-2017
- € 369.767
Boekverlies
€ 191.017
2.8.
Op 23 juli 2020 heeft belanghebbende een andere woning aangekocht, waarna hij (samen met zijn partner) naar deze woning is verhuisd.
Procesverloop
2.9.
Op 7 juli 2018 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2017 gedaan. Op 28 april 2019 heeft belanghebbende de aangifte aangepast (hierna: de aangifte). In de aangifte is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 120.554 negatief, bestaande uit een verlies uit onderneming van € 183.632 en een bedrag van € 63.078 aan looninkomsten. Daarnaast heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 618 aangegeven.
2.10.
Naar aanleiding van de aangifte is contact geweest tussen de inspecteur en belanghebbende. In opdracht van de inspecteur heeft rijkstaxateur [rijkstaxateur] (hierna: de rijkstaxateur) een taxatiebeoordeling van het taxatierapport van taxateur [taxateur 1] gedaan en hierover op 9 november 2020 een rapport uitgebracht waarin de waarde in het economische verkeer van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018 is getaxeerd op € 392.000.
2.11.
Op 24 november 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd. Daarbij heeft hij tevens bij beschikking een (ondernemings)verlies van € 8.820 uit voorgaande jaren verrekend (hierna: de verrekeningsbeschikking). Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld:
Aangegeven verlies uit onderneming
- € 183.632
Correctie A: rentepercentage lening woning 4,5% (€ 14.458) i.p.v. 9% (€ 28.917); minus 14% MKB-winstvrijstelling
+ € 12.434
Correctie B: waarde woning € 392.000 i.p.v. € 275.000; geen vermindering zelfbewoning 35% (€ 96.250); minus 14% MKB-winstvrijstelling
+ € 183.395
Aangegeven looninkomsten
+ € 63.078
Verrekend ondernemingsverlies uit voorgaande jaren
- € 8.820
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 66.456
2.12.
Bij de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete op grond van artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgelegd van € 12.404 ( 50% van de IB/PVV over het inkomen uit werk en woning van € 75.276 (= belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.456 + verrekend ondernemingsverlies uit voorgaande jaren van € 8.820).
2.13.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. In het kader van de bezwaarprocedure heeft belanghebbende de woning opnieuw laten taxeren door makelaar-taxateur [taxateur 2] (hierna: [taxateur 2] ). In zijn taxatierapport van 12 juli 2021 is de marktwaarde van de woning, vrij van pacht, huur en gebruik door derden, per waardepeildatum 1 januari 2018 getaxeerd op € 300.000. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
2.14.
De rechtbank heeft geoordeeld dat:
(i) de rente op de lening door de inspecteur juist is vastgesteld op 4,5%;
(ii) de woning, conform het standpunt van belanghebbende, geëtiketteerd dient te worden als ondernemingsvermogen;
(iii) de onttrekking van de woning tot een boekverlies leidt van € 32.017, op basis van de volgende uitgangspunten:
a. De beginwaarde van de woning dient op grond van de foutenleer aangepast te worden met € 110.250 (= 35% * € 315.000);
b. De woning heeft eind 2017 een waarde van € 350.000;
c. Op deze eindwaarde mag volgens het Besluit een waardevermindering in verband met zelfbewoning van 35% worden toegepast.
(iv) de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan te doen blijken dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten tot gevolg zou hebben dat te weinig belasting geheven zou worden.
2.15.
De rechtbank heeft vervolgens de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.620 (voor verrekening van verliezen uit voorgaande jaren) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 618 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. Tevens heeft de rechtbank de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 631,76 aan proceskosten aan belanghebbende.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de rente op de lening door de inspecteur juist is vastgesteld op 4,5% (hoger beroep belanghebbende)?
2. Wat is het fiscale boekresultaat met betrekking tot de onttrekking van de woning (hoger beroep belanghebbende en incidenteel hoger beroep inspecteur)?
3. Is de vergrijpboete terecht door de rechtbank vernietigd (incidenteel hoger beroep inspecteur)?
In hoger beroep is niet meer in geschil dat de woning geëtiketteerd dient te worden als ondernemingsvermogen en dat op de eindwaarde van de woning volgens het Besluit een waardevermindering in verband met zelfbewoning van 35% mag worden toegepast.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag conform de aangifte. De inspecteur concludeert tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.278 en een vergrijpboete van € 10.207.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
1.
Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de rente op de lening door de inspecteur juist is vastgesteld op 4,5%?
4.1.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeengekomen (jaar)rente van 9% op de lening zakelijk is. Volgens belanghebbende moet voor de vraag of de overeengekomen rente van 9% zakelijk is, worden beoordeeld of niet-verbonden partijen onder gelijke omstandigheden medio 2015 voor de financiering van de woning, met overigens dezelfde voorwaarden (looptijd 10 jaar, loan to value (hierna: LTV) van 102%, aflossingsvrij, geen vestiging van hypotheekrecht (ook niet op eerste verzoek)), een vergelijkbare rente zouden hebben verlangd. Volgens belanghebbende was het aantrekken van een bancaire financiering voor de verwerving van de woning onder de overeengekomen voorwaarden feitelijk niet mogelijk. Belanghebbende heeft gesteld dat hij op basis van zijn toetsinkomen in 2015 maximaal € 228.364 hypotheek bij een bank kon krijgen. Belanghebbende heeft er in dit verband op gewezen dat sprake is van een agrarische bedrijfswoning, een LTV van 102%, een beperkt toetsinkomen en er geen inbreng was van eigen middelen. Daarom moet volgens belanghebbende worden gekeken naar het rentepercentage dat alternatieve (niet-bancaire) geldverstrekkers zouden hebben bedongen. Belanghebbende heeft in dit verband een vergelijking gemaakt met zes bedrijfswoning-casussen verkregen via de websites van Collin Crowdfund, Briqwise, Mogelijk en United Growth. Uit deze casussen volgt volgens belanghebbende een rente tussen 6,75%-8% bij een eerste hypotheekrecht, lagere LTV’s en kortere looptijden. Omdat bij de lening die belanghebbende heeft afgesloten geen zekerheden zijn bedongen, sprake is van een LTV van 102% en een looptijd van 10 jaar die volledig aflossingsvrij is, rechtvaardigen deze factoren een rente van 9% die net iets hoger is dan de 6,75% tot 8% in de zes voorbeeldcasussen, aldus belanghebbende.
4.2.
De inspecteur heeft gesteld dat in de overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de ouders weliswaar geen directe zekerheden zijn vastgelegd, maar dat de ouders wel degelijk zekerheden met betrekking tot de woning hebben. Daarbij heeft de inspecteur gewezen op de akte van de oprichting van de maatschap (zie 2.1). Deze akte is op dezelfde datum (schriftelijk) overeengekomen als de leningsovereenkomst (zie 2.2). In de akte van de maatschap is onder meer bepaald dat belanghebbende de woning (die hij nog zal verkrijgen) zal inbrengen in de maatschap. [2] Verder is bepaald dat voor een onttrekking van (onder meer) onroerende zaken aan de maatschap, waaronder beëindiging gebruik en genot hiervan, de toestemming van iedere vennoot nodig is. [3] Ook dienen de ouders toestemming te geven voor (onder meer) elke rechtshandeling met betrekking tot de onroerende zaken (vervreemden, vestigen zakelijk recht, huren en verhuren). [4] Verder is geregeld dat de vennoten niet zonder toestemming van de anderen zich borg mogen stellen en is het een vennoot verboden uitsluitend ten eigen behoeve over goederen van de maatschap te beschikken. [5] Ook heeft de inspecteur gewezen op het terugkooprecht dat de ouders van belanghebbende hebben bedongen blijkens de leveringsakte van de woning (zie 2.4). Daarnaast acht de inspecteur het onwaarschijnlijk dat belanghebbende de ouderlijke woning, waar hij met de ouders en de zussen zowel vóór als na overdracht in 2015 woonde, zonder overleg zou vervreemden of bezwaren. Vanuit deze familieband en gelet op de overige feiten en omstandigheden zullen de ouders minder risico lopen met hun vordering dan een niet-familielid/huisgenoot. Verder had belanghebbende naast het aandeel in het samenwerkingsverband (30,5% jaarwinst) een fulltime dienstverband als belastingadviseur. Er was dus sprake van twee inkomstenbronnen waardoor een schuldeiser minder risico loopt. Daarnaast had belanghebbende als privépersoon en als maat in de maatschap geen noemenswaardige schulden. Volgens De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) bedroeg het gemiddelde rentepercentage in juni 2015 voor hypothecaire leningen met een renteperiode tussen de 5 en 10 jaar 2,8%, voor leningen met een langere looptijd dan 10 jaar bedroeg het rentepercentage 3,19%. Ook een overzicht van de ING bank uit 2015 toont aan dat een hypothecaire rente in 2015 van om en nabij de 3% zakelijk was. Een rentepercentage van 9% is daarom veel te hoog. Het door de inspecteur vastgestelde percentage van 4,5% is wel zakelijk. De inspecteur wijst hierbij op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2019. [6] Uit de door belanghebbende aangehaalde rechtbankuitspraken blijkt niet dat de rechtbanken dezelfde berekening hebben gemaakt als belanghebbende. Bovendien heeft belanghebbende in zijn berekening ten onrechte niet de pluimveerechten meegenomen in zijn winstaandeel.
4.3.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een rentepercentage van 9% zakelijk is. Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende verklaard dat het rentepercentage van 9% is bepaald in overleg met [kantoornaam 2] (hierna: [kantoornaam 2] ) en dat [kantoornaam 2] destijds mondeling heeft aangegeven dat zij in vergelijkbare situaties ook rentepercentages van 9% zien. Verder heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij geen offerte bij een bank heeft opgevraagd omdat dit volgens hem, na overleg met [kantoornaam 2] en financieringsspecialisten, bij voorbaat kansloos was. Belanghebbende heeft deze stellingen echter niet met bewijsstukken onderbouwd en daarom niet aannemelijk gemaakt. Verder legt het hof aan zijn oordeel ten grondslag dat de ouders hoewel zij geen hypothecaire zekerheid hebben bedongen, gelet op de door de inspecteur aangehaalde bepalingen in de maatschapsovereenkomst en de familiaire verhouding, feitelijk wel degelijk vergaande zekerheden met betrekking tot de lening hebben. Hierdoor lopen zij minder risico dan een onafhankelijke derde die een lening verstrekt zonder zekerheden.
4.4.
Het hof zal gelet op alle feiten en omstandigheden van dit geval het rentepercentage, conform het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de inspecteur, vaststellen op 4.5%.
2.
Wat is het fiscale boekresultaat met betrekking tot de onttrekking van de woning?
Beginwaarde van de woning
4.5.
Voor de koopprijs van de woning is uitgegaan van de door taxateur [naam] geschatte waarde van € 315.000 per 1 juni 2015. Partijen zijn het erover eens dat dit de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) in vrije staat is.
4.6.
Voor de bepaling van het fiscale boekresultaat is onder meer in geschil of op basis van de foutenleer in 2017 de boekwaarde van de woning moet worden verlaagd.
4.6.1.
Belanghebbende betoogt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2000 [7] (hierna: het arrest van 14 juni 2000) dat de beginwaarde gelijk is aan de WEV in vrije staat en er geen rekening hoeft te worden gehouden met duurzame zelfbewoning. In dat arrest overwoog de Hoge Raad als volgt:
“3.2.2. (…) Indien een ondernemer gaat wonen in een pand dat door hem terecht tot zijn ondernemingsvermogen wordt gerekend, vindt jaarlijks een onttrekking van het woongenot plaats. Ter zake daarvan moet de huurwaarde van de woonruimte worden gerekend tot zijn winst uit onderneming. Niet kan worden gezegd dat daarnaast een deel van de waarde van het pand aan het ondernemingsvermogen is onttrokken, ook niet indien, uitgaande van de tot de winst uit onderneming te rekenen huurwaarde, de rendementswaarde van het pand lager is dan de waarde in het economische verkeer.”
4.6.2.
De inspecteur betoogt daarentegen dat bij de beginwaarde rekening moet worden gehouden met duurzame zelfbewoning en verwijst daarbij onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2013 [8] (hierna: het arrest van 1 februari 2013) waarin als volgt is overwogen:
“3.3. (…) In de situatie dat een belastingplichtige een onderneming begint en bij die gelegenheid een pand vanuit zijn privévermogen doet overgaan naar het ondernemingsvermogen, dient dit pand daarin te worden geactiveerd voor de waarde in het economische verkeer die daaraan ten tijde van de inbreng kan worden toegekend. Daarbij vormt duurzame zelfbewoning een omstandigheid die de waarde van het pand kan beïnvloeden en waarmee bij het bepalen van die waarde rekening dient te worden gehouden.”
4.6.3.
Het hof is van oordeel dat de beginwaarde niet moet worden verlaagd vanwege de omstandigheid van duurzame zelfbewoning door belanghebbende. Belanghebbende heeft een woning gekocht die deels voor zelfbewoning bestemd was tegen de WEV in vrije staat en heeft de woning ten tijde van de aankoop tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en, nu niet meer in geschil is, ook mogen rekenen. Van een overgang van de woning naar het ondernemingsvermogen vanuit het privévermogen, zoals het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 1 februari 2013, is geen sprake. In beginsel is de WEV in vrije staat dan ook het bedrag dat geactiveerd moet worden op de ondernemingsbalans.
4.6.4.
Bij het bepalen van de beginwaarde zijn echter alle relevante omstandigheden van belang. Het hof is van oordeel dat in dit geval de omstandigheid dat, in weerwil van wat is afgesproken in de koopovereenkomst, de woning niet vrij van gebruik is geleverd omdat in ieder geval de ouders in de woning zijn blijven wonen, een waardedrukkend effect heeft. Het hof bepaalt het waardedrukkend effect hiervan in goede justitie op 35%.
Eindwaarde van de woning
4.7.
In geschil is ook wat de WEV van de woning ten tijde van de onttrekking naar privé (op 31 december 2017) was. Volgens belanghebbende is dat primair € 275.000 (conform het taxatierapport van [taxateur 1] ) en subsidiair € 300.000 (conform het taxatierapport van [taxateur 2] ). Volgens de inspecteur was het echter € 392.000 (conform de taxatiebeoordeling van de rijkstaxateur).
4.7.1.
Het hof constateert dat de getaxeerde waarden behoorlijk van elkaar afwijken, maar heeft geen aanleiding om aan een bepaalde taxatie meer bewijskracht toe te kennen. Dat betekent dat beide partijen de door hen verdedigde waarde(n) onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Gelet hierop zal het hof de eindwaarde in goede justitie [9] vaststellen op € 350.000.
4.8.
In geschil is vervolgens niet meer dat op de WEV ten tijde van de van de onttrekking een vermindering wegens zelfbewoning mag worden toegepast van 35%.
Fiscaal boekresultaat
4.9.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de juiste uitgangspunten gehanteerd bij de berekening van het boekverlies (zie 2.14 (iii)) en heeft zij het boekverlies terecht vastgesteld op € 32.017.
3.
Is de vergrijpboete terecht door de rechtbank vernietigd?
4.10.
De inspecteur heeft op grond van artikel 67d AWR een vergrijpboete van € 12.404 opgelegd. De rechtbank heeft de vergrijpboete vernietigd. De inspecteur is het hier niet mee eens. Hij stelt zich op het standpunt dat een vergrijpboete van € 10.207 passend en geboden is. Volgens de inspecteur zijn de aankoop, activering zonder rekening te houden met duurzame zelfbewoning als een waardedrukkende factor op de ondernemingsbalans, verbouwing en vervolgens onttrekking van de woning naar privé waarbij rekening wordt gehouden met duurzame zelfbewoning als waardedrukkende factor, handelingen waarbij op papier een constructie wordt opgezet om een omvangrijk boekverlies te creëren, terwijl in de feitelijke (woon)situatie niks is gewijzigd. Hierbij dient te worden meegewogen dat belanghebbende zelf belastingadviseur is, dat het om boekverlies van € 229.875 gaat dat in twee jaar tijd is gerealiseerd, dat belanghebbende op dit punt geen vooroverleg heeft gezocht en dat belanghebbende werkzaam is bij een kantoor dat dergelijke constructies actief promoot. Deze gedragingen kunnen volgens de inspecteur naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra indicaties, welke ontbreken, niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dat gevolg heeft gewild althans de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
4.11.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur, mede gelet op het verweer van belanghebbende, niet heeft doen blijken dat belanghebbende met opzet een onjuiste aangifte heeft gedaan, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. De inspecteur heeft zijn bewijsredenering opgezet vanuit de veronderstelling dat zowel bij aanschaf als bij onttrekking van de woning de omstandigheid van duurzame zelfbewoning een waardedrukkende factor is. Deze veronderstelling is echter onjuist (zie 4.6.3). Daarmee ontvalt de grondslag voor zijn bewijsredenering. Ook de door inspecteur genoemde omstandigheden en gedragingen die volgens hem moeten worden meegewogen rechtvaardigen niet de conclusie dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank heeft de vergrijpboete terecht vernietigd.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep en het incidentele hoger beroep ongegrond zijn.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, M.J.C. Pieterse en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave C.W.M.M. Verkoijen
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Op grond van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 augustus 2009, nr. CPP2009/1092M (hierna: het Besluit).
2.Artikel 4, derde lid, van de akte van de oprichting van de maatschap.
3.Artikel 5 van Pro de akte van de oprichting van de maatschap.
4.Artikel 8, derde lid, van de akte van de oprichting van de maatschap.
5.Artikel 9, vijfde lid, van de akte van de oprichting van de maatschap.
6.Gerechtshof Den Haag 6 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2213.
7.Hoge Raad 14 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6212.
8.Hoge Raad 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4036.
9.Vergelijk Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, r.o. 3.3.