ECLI:NL:GHSHE:2026:1436

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/1101
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielenArt. 10 lid 7 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielenArt. 10 lid 8 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over waardebepaling bpm bij gebruikte auto met afwijkende CO2-uitstoot

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag bpm opgelegd door de inspecteur voor een gebruikte Volvo XC70 met een hogere CO2-uitstoot dan de referentieauto in de koerslijsten. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd, maar het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en dat van de inspecteur gegrond. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak naar het hof 's-Hertogenbosch.

In het vervolgproces betwistte belanghebbende dat de inspecteur correctiefactoren voor markt- en dealersituatie niet hoefde toe te passen bij de taxatiemethode en stelde dat hij mocht uitgaan van koerslijsten zoals Eurotaxglass’s of X-Ray met correcties. Het hof oordeelde dat belanghebbende het bestaan van een andersluidend beleid van de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt en dat de koerslijsten niet passend waren vanwege het verschil in CO2-uitstoot van 34 gr/km, wat invloed heeft op de handelsinkoopwaarde.

Het hof stelde dat belanghebbende niet in zijn bewijslast was geslaagd om aan te tonen dat de afwijkende CO2-uitstoot geen hogere handelsinkoopwaarde veroorzaakt. De inspecteur had gemotiveerd betwist dat de waardevermindering terecht was en het hof onderschreef dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep van de inspecteur werd gegrond verklaard en dat van belanghebbende ongegrond. Het hof wees ook proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht af.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond en dat van belanghebbende ongegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/1101
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 7 april 2021, nummer AWB 19/7223, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 24 januari 2023 [1] heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en van de inspecteur gegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 6 juni 2025 [2] (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad beide beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof).
1.6.
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft naar aanleiding van het verwijzingsarrest een conclusie na verwijzing ingediend.
1.7.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag bpm van € 6.525 opgelegd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.208. De rechtbank heeft daarnaast de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 1.598 (€ 530 voor de bezwaarfase en € 1.068 voor de beroepsfase) en gelast dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
2.3.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het hoger beroep van de inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
2.4.
De Hoge Raad heeft beide beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd.
2.5.
Belanghebbende heeft aangifte voor de bpm gedaan voor een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk en type Volvo XC70 3.0 T6 Summum (hierna: de auto). De auto heeft een Amerikaanse herkomst en is gemaakt voor de Amerikaanse markt. De datum van eerste toelating van de auto is 2 augustus 2012. De auto heeft een CO2-uitstoot van 282 gr/km.
2.6.
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [naam] van [bedrijf] ( [bedrijf] BV) in [plaats] (hierna: de taxateur). De taxateur heeft hierin de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 543. Daarbij is hij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat (volgens koerslijst X-Ray) van € 17.172. Daarop heeft hij € 1.671 (72% van € 2.320,94 aan gecalculeerde schade) en € 14.958 (waardecorrectie wegens schadeverleden) in mindering gebracht. De koerslijst X-Ray gaat uit van een referentieauto met een CO2-uitstoot van 248 gr/km.
2.7.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 99.721, een getaxeerde handelsinkoopwaarde van € 543 en historische bruto bpm van € 43.329, is een bedrag van € 211 aan bpm op aangifte voldaan.
2.8.
De inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De auto is niet aan DRZ getoond. In het op 29 april 2019 opgemaakte rapport (hierna: het DRZ-rapport) is als laagste handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat een waarde van € 16.187 vermeld, waarbij de waarde is gebaseerd op een van het taxatierapport van belanghebbende afwijkende koerslijst X-Ray. Het DRZ-rapport vermeldt verder een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 16.929, volgens een koerslijst Eurotax (zonder rekening te houden met een bijstelling markt- en/of dealersituatie). DRZ heeft geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens actuele schade of een waardecorrectie wegens schadeverleden. Het DRZ-rapport vermeldt een historische nieuwprijs van € 81.210, overeenkomstig de koerslijst X-Ray die gebruikt is voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 16.187.
2.9.
De tenaamstelling van de auto in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 25 april 2019.
2.10.
De inspecteur heeft met dagtekening 1 augustus 2019 een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 6.525. Voor de berekening van het nageheven bedrag heeft de inspecteur aansluiting gezocht bij de aangifte bpm van belanghebbende, behoudens de historische bruto bpm en de toegepaste waardecorrectie wegens schadeverleden van de auto. Voor die correctie heeft de inspecteur geen aanleiding gezien. De berekening luidt als volgt:
Het verschil tussen de, op basis van deze berekening, verschuldigde bpm van € 6.736 en de door belanghebbende op aangifte betaalde bpm van € 211 bedraagt € 6.525.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil na cassatie betreft de volgende vragen:
1. Mag belanghebbende bij de toepassing van de taxatiemethode – al dan niet op grond van beleid van de inspecteur –uitgaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens de koerslijst Eurotaxglass’s met correctie voor de factoren markt- en dealersituatie?
2. Bij ontkennende beantwoording van die vraag, is in geschil of belanghebbende alsnog een beroep kan doen op de koerslijstmethode en in dat geval een beroep kan doen op de koerslijst Eurotaxglass’s dan wel via de taxatiemethode op basis van de koerslijst X-Ray minus een schadebedrag van € 1.671.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.433 (primair) dan wel € 6.169 (subsidiair) dan wel € 6.188 (meer subsidiair). De inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de historische nieuwprijs van de auto kan worden gesteld op € 98.329, dat de CO2-uitstoot 282 gr/km bedraagt, dat de bruto-bpm € 43.348 bedraagt en dat de waardevermindering in verband met schade kan worden gesteld op € 1.671.
1. Taxatiemethode en koerslijst Eurotaxglass’s
4.2.
De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het incidentele beroep in cassatie gegrond verklaard en onder verwijzing naar r.o. 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:361, geoordeeld dat de inspecteur bij het doen van de uitspraak op bezwaar niet gehouden was om de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ (ook wel aangeduid als ‘dealersituatie’) toe te passen. In het arrest van 7 maart 2025 had de Hoge Raad als volgt geoordeeld:
“3.4 In dit geval staat vast dat belanghebbende voor het berekenen van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde vermindering (afschrijving), heeft gekozen voor de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode. Het hiervoor in 3.1 weergegeven standpunt, dat in het verweerschrift is onderschreven, berust op de opvatting dat indien de inspecteur bij naheffing van bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet in aanmerking neemt die mede is gebaseerd op een koerslijst van Eurotax die de hiervoor in 2.4 vermelde factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ bevat, hij steeds is gehouden die factoren toe te passen. Die opvatting is niet juist.
Zoals de Advocaat-Generaal in onderdeel 4.4 van de conclusie op basis van rechtspraak van de Hoge Raad heeft geconcludeerd, is de inspecteur gehouden de hiervoor bedoelde factoren uit eigen beweging toe te passen, maar alleen wanneer hij de afschrijving van een gebruikt motorvoertuig vaststelt met gebruikmaking van de zogenoemde koerslijstmethode als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet en aan de hand van de koerslijst van Eurotax van vóór 4 oktober 2021, waaruit de koerslijstwaarde van dat motorvoertuig op de datum van registratie volgt.
Blijft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgaan van de keuze van de belastingplichtige voor toepassing van de taxatiemethode – zoals in dit geval –, dan volgt uit hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.6 van het arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, heeft uiteengezet dat de inspecteur de hiervoor bedoelde factoren niet uit eigen beweging hoeft toe te passen.”
4.3.
De inspecteur heeft de toepassing van beide correctiefactoren betwist. Belanghebbende heeft na verwijzing geen gegevens verstrekt waarmee zij deze factoren aannemelijk kan maken. Zij heeft echter tevens gesteld dat de inspecteur een beleid hanteerde inhoudende dat binnen de toepassing van de taxatiemethode voormelde correctiefactoren op de koerslijstwaarde van Eurotaxglass’s wel werd toegestaan. De inspecteur heeft het bestaan van dergelijk beleid ontkend. Het hof is van oordeel dat belanghebbende het bestaan van dergelijk beleid niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft geen nadere stukken overgelegd waaruit dat beleid zou kunnen volgen.
2. Koeslijstmethode
4.4.
Belanghebbende heeft subsidiair een beroep gedaan op de koerslijstmethode en daarbij een beroep gedaan op de koerslijst Eurotaxglass’s met correctie in verband met markt- en dealersituatie.
4.5.
De inspecteur heeft dit standpunt bestreden en gesteld dat de auto niet op een koerslijst voorkomt. Het verschil tussen de in de koerslijst opgenomen auto en de onderhavige auto heeft te maken met de CO2-uitstoot. De koerslijst gaat uit van een auto met een uitstoot van 248 gr/km en de auto heeft een uitstoot van 282 gr/km.
4.6.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Het hof is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast is geslaagd. De inspecteur heeft aangegeven dat bij het te registreren voertuig mogelijk sprake is van (extra) CO2-verhogende opties die van invloed zijn op de handelsinkoopwaarde, maar die niet in de koerslijst zijn toegevoegd. In het onderhavige geval is sprake van een, zowel relatief als absoluut, forse afwijking in CO2-uitstoot. Het hof acht dan ook aannemelijk dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in deze zaak aan de orde is, te weten een verschil van 34 gr/km, zijn oorzaak vindt in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende is dus niet in zijn bewijslast geslaagd. Gelet op het voorgaande neemt het hof tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van het te registreren voertuig een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage niet hoger zal zijn dan waarvan de inspecteur is uitgegaan.
3. Taxatiemethode met koerslijst X-Ray
4.7.
Meer subsidiair heeft belanghebbende zich beroepen op toepassing van de taxatiemethode, waarbij moet worden uitgegaan van de door DRZ overgelegde koerslijst X-Ray minus de vastgestelde waardevermindering in verband met schade. In dat geval komt de handelsinkoopwaarde uit op € 16.187 -/- € 1.671 = € 14.516.
4.8.
Voor dit standpunt heeft hetzelfde te gelden als hiervóór is overwogen onder 4.6, aangezien de koerslijst X-Ray ook uitgaat van een auto met een CO2-uitstoot van 248 gr/km. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag weliswaar ook uitgegaan van de koerslijst X-Ray zoals deze is overgelegd bij het taxatierapport en gebaseerd op een CO2-uitstoot van 248 gr/km, maar in zijn verweerschrift in hoger beroep heeft hij zich nader op het standpunt gesteld dat deze koerslijst niet kan dienen voor het bepalen van de verschuldigde belasting en dat de conclusie moet worden getrokken dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Het hof onderschrijft dit standpunt.
4.9.
Al het voorgaande betekent dat belanghebbende de door hem verdedigde vermindering van de belasting niet aannemelijk heeft gemaakt. Toepassing van de forfaitaire tabel leidt niet tot een lager bedrag aan verschuldigde belasting. De naheffingsaanslag is dus niet te hoog vastgesteld.
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond;
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:665.
2.Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:859.