Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1352

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/457
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, lid 1, Wet BPMArt. 10, lid 2, Wet BPMArt. 10, lid 9, Wet BPMArt. 2, aanhef en letter c, Wet BPMArt. 19a, lid 3, Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM met toepassing koerslijst X-Ray toegewezen

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur voor een Audi Q5. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.

Het geschil betrof de juiste waardering van de auto, met name de toepasbaarheid van de koerslijst X-Ray en de waardevermindering wegens schade. Het hof oordeelde dat belanghebbende terecht een beroep mocht doen op de koerslijst X-Ray, ondanks een gering verschil in CO2-uitstoot en dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de koerslijst onjuist was ingevuld of niet gebaseerd was op daadwerkelijke handelstransacties.

Verder stelde het hof vast dat de door belanghebbende gestelde waardevermindering wegens schade niet meer was dan normale gebruiksschade, die niet in mindering kon worden gebracht. De naheffingsaanslag werd daarom verminderd naar € 3.610. Daarnaast stelde het hof de vergoeding van de kosten van bezwaar hoger vast en kende een immateriële schadevergoeding van € 50 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierechten en proceskosten, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en verklaarde het beroep gegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de naheffingsaanslag BPM verminderd naar € 3.610 en kostenvergoedingen toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/457
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 maart 2024, nummer BRE 22/4071, in het geding tussen belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van een Audi Q5 met VIN-nummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend en tevens een pleitnota met twee bijlagen toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze nadere stukken en de pleitnota met bijlagen doorgestuurd naar de inspecteur. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 3 september 2021 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Audi Q5 met VIN-nummer [nummer] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 5.286. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [kantoor] B.V. van [datum] 2021. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 20.750. Hij is daarbij uitgegaan van enkele verkoopadvertenties van vergelijkbare auto’s. De gemiddelde vraagprijs bedraagt € 52.500 en daarop heeft hij een winstmarge van 35% in mindering gebracht en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 34.000 vastgesteld. Daarop heeft hij vervolgens een bedrag van € 13.250 wegens waardevermindering in verband met schade in mindering gebracht. Volgens het taxatierapport gaf de koerslijst Autotelex een waarde in onbeschadigde staat van € 57.693. De datum eerste toelating was 16 april 2018 en de kilometerstand 79.222. De CO2-uitstoot bedraagt 195 gr/km. De auto is gekocht voor een bedrag van € 47.000 (excl. btw en BPM).
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De hertaxateur heeft geen koerslijst als uitgangspunt genomen, maar heeft verkoopadvertenties van vergelijkbare auto’s als uitgangspunt genomen, waarbij de taxateur de gemiddeld geadverteerde vraagprijs (€ 63.443) heeft verminderd met een gestelde verkoopmarge van 12,99% en een correctie in verband met de kilometerstand. De hertaxateur heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Aldus is de handelsinkoopwaarde van de auto door DRZ getaxeerd op € 55.080. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 11.581. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 6.295.
2.3.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraken op bezwaar verminderd, waarbij alsnog de forfaitaire afschrijvingstabel is toegepast. De verschuldigde BPM is bepaald op € 10.528 en de naheffingsaanslag is verminderd naar € 5.242.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1) Zijn de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd? Daarbij zijn de volgende sub-vragen te onderkennen:
a) Komt belanghebbende een beroep toe op de koerslijst van X-Ray?
b) Is voldoende rekening gehouden met een waardevermindering vanwege schade
2) Heeft de inspecteur de vergoeding van de kosten van bezwaar te laag vastgesteld?
3) Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade naar een bedrag van € 500 per half jaar?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
1.a. Koerslijst X-Ray
4.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep alsnog een beroep gedaan op de koerslijst X-Ray. Uit deze koerslijst zou een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgen van € 43.202. De inspecteur verwerpt deze koerslijst op diverse gronden. Zo stelt de inspecteur in de eerste plaats dat de auto niet voorkomt op een koerslijst, aangezien de koerslijsten uitgaan van een auto met een afwijkende CO2-uitstoot, namelijk met een verschil van 6 g/km. Voorts stelt hij dat de koerslijst X-Ray onjuist is ingevuld. Tevens heeft hij ter zitting gesteld dat op grond van artikel 10, lid 9, Wet BPM geen switch naar de koerslijst X-Ray mag plaatsvinden, omdat deze koerslijst niet bij de aangifte is gebruikt of overgelegd. Ten slotte wijst de inspecteur op het opmerkelijke verschil tussen de uitkomst van de koerslijst X-Ray en andere koerslijsten en ook op de prijs die is betaald volgens de inkoopfactuur.
4.2.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [1] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [2] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. [3] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [4]
4.3.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [5]
4.4.
Het hof verwerpt de stelling van de inspecteur dat de koerslijst X-Ray niet bruikbaar is, omdat het daarin vermelde model een andere CO2-uitstoot heeft en dus niet, dan wel onvoldoende, vergelijkbaar is met de auto. Er is inderdaad sprake van een verschil in CO2-uitstoot, maar dat verschil is slechts 6 gr/km. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk gering verschil invloed heeft op de handelsinkoopwaarde.
4.5.
De inspecteur heeft voorts gesteld dat de koerslijst onjuist is ingevuld. Hij heeft echter op geen enkele wijze concreet gemaakt op welke punten de koerslijst onjuist zou zijn ingevuld. Ook na vragen van het hof ter zitting, heeft de inspecteur niet nader toe kunnen lichten welke onjuistheden zouden zijn ingevuld. Hij heeft slechts verwezen naar het grote verschil tussen de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst X-Ray en de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst AutotelexPro, alsmede naar het verschil ten opzichte van de aankoopprijs.
Indien de belastingplichtige kiest voor de koerslijstmethode, dan is relevant of sprake is van eenin de handel algemeen toegepaste koerslijst. Daarvan is sprake bij de koerslijst X-Ray. De wetgever heeft onderkend dat de verschillende koerslijsten tot verschillende handelsinkoopwaarden kunnen leiden. De wetgever heeft uitdrukkelijk bevestigd dat de belastingplichtige uit mag gaan van de laagste koerslijstwaarde. Voorwaarde is uiteraard dat de koerslijst juist is ingevuld en dat de koerslijst is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties en niet berust op een eigen inschatting van de koerslijstprovider. [6] Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de koerslijst onjuist is ingevuld. De inspecteur heeft voorts nog geen begin van bewijs geleverd dat de koerslijst X-Ray in dit geval niet is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties. De inspecteur heeft aan het einde van de zitting nog een bewijsaanbod gedaan om navraag te doen bij X-Ray. Het hof is van oordeel dat dit bewijsaanbod te laat is. De inspecteur wist vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift dat belanghebbende zich alsnog beroept op de koerslijst X-Ray. De inspecteur heeft dan ook voldoende gelegenheid gehad om tijdig bij X-Ray nadere informatie in te winnen over deze koerslijstuitdraai.
4.6.
De inspecteur heeft ter zitting met een beroep op artikel 10, lid 9, slotzin, Wet BPM gesteld dat de koerslijst X-Ray niet mag worden gebruikt, omdat deze niet is gebruikt of overgelegd bij het doen van aangifte. Het hof verwerpt dit standpunt en verwijst daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016. [7] De Hoge Raad overwoog in dit arrest:
“2.4.3. (...) In het licht van de hiervoor bedoelde overwegingen staat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet [hof: thans artikel 10, lid 9, slotzin, Wet BPM] evenwel niet eraan in de weg om door het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan of een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Aldus uitgelegd gaat het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet verder dan de wetgever voor de hiervoor in 2.4.2 omschreven doelen redelijkerwijs noodzakelijk kon achten. Daarmee is – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - het bepaalde in artikel 10, lid 7, derde volzin, van de Wet niet in strijd met het recht van de Unie, in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel.”
De inspecteur heeft niet gesteld dat door te wisselen naar de koerslijst X-Ray een tweede controle van het voertuig nodig zou zijn.
4.7.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende mag uitgaan van de koerslijst X-Ray en dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat kan worden vastgesteld op € 43.202.
1.b. Waardevermindering wegens schade
4.8.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door belanghebbende gestelde waardevermindering in verband met de schade van de auto. In dat kader heeft belanghebbende verwezen naar het taxatierapport dat is opgesteld door de taxateur van belanghebbende en naar foto’s van de gestelde schade. De inspecteur weerspreekt dit en verwijst daarvoor naar de hertaxatie van DRZ.
4.9.
De bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van schade rust op belanghebbende. Daarbij heeft te gelden dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.10.
Het hof is van oordeel dat de gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruiksschade, mede in acht genomen de leeftijd van de auto (ruim drie jaar oud) en het aantal gereden kilometers (79.000). Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.11.
Al het voorgaande betekent dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst X-Ray op € 43.202 en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 3.610.
2. Kosten bezwaar
4.12.
De inspecteur heeft een vergoeding van de kosten van bezwaar vastgesteld op 2 x € 269 = € 538. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, is dit onjuist. Het hof zal daarom de kosten van bezwaar opnieuw vaststellen op 2 x € 666 = € 1.332.
3. Vergoeding van immateriële schade
4.13.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure bij het hof meer dan twee jaar heeft geduurd. Belanghebbende meent dat sprake is van bijzondere omstandigheden en dat een afwijking gerechtvaardigd is van het op grond van artikel 19a, lid 3, Wet BPM geldende bedrag van € 50 per half jaar. Belanghebbende wijst erop dat het gaat om een geschil over een naheffingsaanslag en niet over de voldoening op aangifte en dat belanghebbende geen professionele partij is die een groot aantal procedures voert rond de import van gebruikte auto’s.
4.14.
Het hogerberoepschrift is ingediend op 9 april 2024 en het hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig om af te wijken van het op grond van artikel 19a, lid 3, Wet BPM geldende bedrag van € 50 per half jaar.
Tussenconclusie
4.15.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.18.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor zowel het beroep als het hoger beroep op 2 (punten) [8] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
4.19.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 3.610;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 50;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 3.736.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
2.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
3.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
4.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
5.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
6.Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666.
7.Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:422.
8.1 punt voor (hoger)beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.