ECLI:NL:GHSHE:2026:135

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
23/632
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken tijdige machtiging gemachtigde

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van een belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant behandeld. De gemachtigde die het hoger beroep namens de belanghebbende instelde, heeft niet tijdig een schriftelijke machtiging overgelegd die maximaal een half jaar oud was, ondanks meerdere verzoeken en een verlenging van de termijn door het hof.

Het hof heeft de ontvankelijkheid van het hoger beroep onderzocht en vastgesteld dat de gemachtigde niet bevoegd was om namens de belanghebbende op te treden, mede gelet op eerdere zaken waarin twijfel bestond over zijn bevoegdheid. De stelling van de gemachtigde dat de betaling van griffierecht voldoende was als bewijs van opdracht, werd niet aanvaard.

Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam het niet toe aan de inhoudelijke behandeling van het geschil. Tevens wees het hof een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de gemachtigde niet bevoegd was het beroep in te stellen. Het griffierecht werd niet vergoed en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een geldige schriftelijke machtiging door de gemachtigde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/632

Uitspraak op het door [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) ingestelde hoger beroep

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 maart 2023, nummer SHE 21/2830, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

hierna: belanghebbende,
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar.

Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

1. Op 20 september 2024 heeft op digitale wijze een zitting plaatsgevonden met gebruikmaking van MS Teams. Aan de digitale zitting heeft [gemachtigde] deelgenomen. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) griffierecht is betaald. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Bij het schrijven van 20 mei 2025 heeft het hof het vooronderzoek heropend.
3. [gemachtigde] heeft vóór de zitting van 17 oktober 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
4. Op 17 oktober 2025 heeft [gemachtigde] raadsheer Wessels gewraakt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling ter zitting op 17 oktober 2025 niet doorgegaan. Met zijn uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van raadsheer Wessels afgewezen. [1]
5. Nadien heeft [gemachtigde] nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.
6. De zitting heeft op digitale wijze – via MS Teams – plaatsgevonden op 24 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] namens [kantoor gemachtigde] B.V. De heffingsambtenaar heeft laten weten dat hij niet zal verschijnen. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd.
7. Het hoger beroep is op 20 april 2023 namens [kantoor gemachtigde] B.V. ingediend door [gemachtigde] . Blijkens het dossier heeft [gemachtigde] niet namens zichzelf hoger beroep ingesteld.
8. In het dossier dat het hof van de rechtbank heeft ontvangen, bevindt zich geen schriftelijke machtiging van belanghebbende.
9. Het hof heeft [gemachtigde] met een brief van 9 juni 2023 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke machtiging aan te leveren. Het hof heeft op 18 juli 2023 een herinnering gestuurd aan [gemachtigde] :
“Hierbij wijs ik u op mijn brieven van 9 juni 2023. Voor zover ik kan nagaan, heb ik daarop nog geen reactie ontvangen.
Het gerechtshof stelt u alsnog in de gelegenheid het hoger beroep aan te vullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens. De termijn daarvoor eindigt op 13 augustus 2023.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
10. [gemachtigde] heeft op de brief van 18 juli 2023 gereageerd met een brief van 2 augustus 2023, waarin hij het hof heeft verzocht om de hersteltermijn te verlengen tot en met 31 augustus 2023. Het hof heeft [gemachtigde] op 7 augustus 2023 schriftelijk bericht dat het verlengingsverzoek is afgewezen maar dat de termijn voor aanlevering van de gevraagde machtiging is verlengd tot en met 11 augustus 2023. In dat bericht staat wederom vermeld dat het hoger beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
11. Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 Awb Pro een schriftelijke machtiging kan verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
12. Het hof heeft [gemachtigde] verzocht een op zijn naam gestelde machtiging van maximaal een half jaar oud over te leggen. Het hof is hiertoe overgegaan omdat in diverse andere zaken waarin [gemachtigde] als (gesteld) gemachtigde optrad twijfels zijn gerezen over de bevoegdheid van [gemachtigde] om namens de desbetreffende belanghebbende (hoger) beroep in te stellen. Aanleiding voor deze twijfels zijn de volgende ambtshalve bekende feiten en omstandigheden: (i) [gemachtigde] heeft in drie recente procedures bij dit hof [2] , terwijl sprake was van verschillende belanghebbenden, een identieke schriftelijke machtiging overgelegd, die niet is voorzien van een naam van de volmachtgever en die een handtekening bevat welke niet te herleiden is naar een naam, (ii) de rechtbank Noord-Nederland heeft een dergelijke handelswijze van [gemachtigde] ook al geconstateerd [3] , (iii) uit uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant volgt concreet dat [gemachtigde] beroep instelt zonder dat hij daartoe bevoegd is of belanghebbende daarvan op de hoogte is [4] en (iv) het hof ambtshalve bekend is met twee hogerberoepszaken waarin de betreffende belanghebbende met een brief van 21 juni 2023 heeft laten weten dat [gemachtigde] namens hem in beide zaken onbevoegd zowel beroep als hoger beroep heeft ingesteld.
13. Het hof volgt [gemachtigde] niet in zijn ter zitting ingenomen stelling dat uit de betaling van het griffierecht ondubbelzinnig volgt dat hij van belanghebbende opdracht heeft gekregen om in hoger beroep als gemachtigde op te treden. [gemachtigde] heeft deze stelling niet nader uitgewerkt en ook niet onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht. Ook de stelling van [gemachtigde] dat er sprake is van rechtsongelijkheid, nu dit hof andere eisen aan de machtiging stelt dan andere hoven in Nederland, kan hem noch belanghebbende baten. Daargelaten dat [gemachtigde] deze stelling niet heeft onderbouwd kan het hof op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb Pro, mede gelet op het vorenstaande, een recente machtiging verlangen van [gemachtigde] .
14. Aangezien [gemachtigde] in onderhavige procedure niet binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn een schriftelijke machtiging heeft overgelegd die maximaal een half jaar oud is, en van een verschoonbare reden niet is gebleken, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. [5] [gemachtigde] heeft binnen deze termijn slechts verwezen naar het dossier. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat het beroep in eerste aanleg eveneens niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het [gemachtigde] duidelijk moet zijn geweest dat een dergelijke machtiging hoe dan ook een vereiste is die de rechtbank en hof stellen aan de ontvankelijkheid van een (hoger) beroep.

Tussenconclusie

15. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep wordt niet toegekomen.

Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding

16. [gemachtigde] heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Indien degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden. [6]

Ten aanzien van het griffierecht

17. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

18. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5. Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
J.H.M. van Ooijen J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.De uitspraken van het gerechtshof Den Bosch van 12 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:655, ECLI:NL:GHSHE:2025:659 en ECLI:NL:GHSHE:2025:657.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4572.
4.Zie de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5250, en van 13 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3439.
5.Zie Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2 en vergelijk Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558.
6.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660, r.o. 2.3.