Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3630

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/445
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 Uitvoeringsregeling Wet BPMArt. 7:15 lid 2 AwbArtikel 8 lid 5 letter d Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM over handelsinkoopwaarde en waardevermindering schade

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur, waarbij de handelsinkoopwaarde van een personenauto werd vastgesteld op basis van een marktonderzoek met referentievoertuigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar belanghebbende ging in hoger beroep.

Het hof oordeelde dat bij het ontbreken van vrijwel identieke referentievoertuigen de gemiddelde waarde van minimaal twee referentievoertuigen een redelijke benadering is. Het primaire standpunt van belanghebbende om uit te gaan van de laagste waarde werd verworpen. Wel werd geoordeeld dat de inspecteur ten onrechte een BTW-auto als referentievoertuig gebruikte, waardoor de handelsinkoopwaarde te hoog was vastgesteld.

Ten aanzien van de waardevermindering wegens schade, met name het ontbreken van de achterbank en toebehoren, stelde het hof vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat dit als schadepost moest worden beschouwd. De achterbank was mogelijk tijdelijk verwijderd in verband met kentekenwijziging. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde de naheffingsaanslag vast op een lager bedrag, waarbij ook de kostenveroordelingen werden aangepast.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en vermindert de naheffingsaanslag BPM tot €12.898.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/445
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2024, nummer BRE 22/2337, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 2 juli 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een [merk auto 1] met VIN-nummer [VIN] (verder: de auto) naar een te betalen bedrag aan BPM van € 15.639.
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 30 juni 2020. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 89.587, gebaseerd op een marktonderzoek met drie referentievoertuigen. De taxateur heeft een bedrag van € 44.371 (zijnde 100%) op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht in verband met schade. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 45.216.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 14 juli 2020. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 109.576 aan de hand van een marktonderzoek op basis van twee referentievoertuigen. De hertaxateur heeft een bedrag aan schade geconstateerd ter grootte van € 15.484 en daarvan € 11.148 (72%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 98.428.
2.4.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 30.296 te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 535. Met dagtekening 26 november 2021 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 14.122 aan verschuldigde BPM vermeerderd met € 1 aan belastingrente.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500, tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 218,75 en heeft bepaald dat de minister het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is het antwoord op de volgende vragen in geschil:
I. Heeft de inspecteur de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat te hoog vastgesteld?
II. Komt belanghebbende een beroep toe op het marktonderzoek waarbij de laagste waarde van het referentievoertuig in aanmerking wordt genomen?
III. Heeft de inspecteur voldoende rekening gehouden met de waardevermindering wegens schade?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 10.858, en meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 13.373.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil

I en II. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bij marktonderzoek en de daarbij te betrekken referentievoertuigen
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de auto niet voorkomt op de koerslijsten en dat in dit geval de inkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van artikel 3.2 van Bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling Wet BPM kan worden vastgesteld aan de hand van een marktonderzoek. Dat wil zeggen aan de hand van vergelijkbare auto’s die op internet te koop staan, verminderd met een winstopslagmarge. Zowel de taxateur van belanghebbende als de hertaxateur van DRZ hebben deze methode toegepast, eerstgenoemde aan de hand van drie vergelijkbare voertuigen en DRZ aan de hand van twee vergelijkbare voertuigen.
4.2.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021 [1] , dient te worden uitgegaan van het referentievoertuig met de laagste handelsinkoopwaarde uit het rapport van DRZ.
Subsidiair stelt belanghebbende dat inspecteur de handelsinkoopwaarde op basis van de door DRZ gehanteerde referentievoertuigen niet correct heeft vastgesteld, omdat het BTW-auto’s betreffen die de waarde onterecht verhogen gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daar komt nog bij dat de inspecteur ten onrechte BTW heeft gerekend over de rest-BPM. Indien dit wordt gecorrigeerd komt belanghebbende subsidiair tot een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 98.762.
De inspecteur heeft een en ander gemotiveerd betwist.
4.3.
Het hof ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding om van de handelsinkoopwaarde van slechts één referentievoertuig uit te gaan. Nu er geen vrijwel identiek referentievoertuig is, is de gemiddelde waarde van minimaal twee referentievoertuigen een redelijke benadering van de waarde van een vergelijkbare auto. Belanghebbende heeft voorts ook in hoger beroep niet gesteld of onderbouwd dat de auto met de laagste handelsinkoopwaarde beter vergelijkbaar zou zijn met de betrokken auto, zodat het hof het primaire standpunt van belanghebbende verwerpt.
4.4.
Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van belanghebbende overweegt het hof als volgt. Bij de door DRZ gebruikte voertuigen betreft de eerste auto (een [merk auto 2] ) een BTW-auto welke te koop stond voor € 129.950 inclusief BTW en BPM. De tweede, (een [merk auto 3] , die dezelfde groene auto is als die van belanghebbendes taxateur), betreft ook een BTW-auto. Deze stond te koop voor € 119.000 exclusief BTW en inclusief BPM. DRZ heeft vervolgens bij dit laatste referentievoertuig over genoemd bedrag nog 21 % BTW bijgeteld en de inkoopwaarde vervolgens bepaald op € 143.990 (€ 119.000 * 1,21). Op basis van het gemiddelde van deze twee referentievoertuigen, verminderd met een marge winstopslag van 20%, heeft de inspecteur de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde op € 109.576 bepaald.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende terecht hiertegen bezwaren heeft aangevoerd. In de geadverteerde prijs van € 119.000 zit een restbedrag aan BPM en daarover wordt géén BTW gerekend. [2] Het hof overweegt voorts dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad [3] volgt dat, om te voldoen aan de in het VWEU gestelde eisen, bij de berekening van de waardedaling van een referentieauto moet worden uitgegaan van de prijs waarvoor de referentieauto door een handelaar van een particulier wordt aangekocht. Voor de berekening van de bedoelde afschrijving mag dus worden uitgegaan van een margeauto. Aangezien er geen marge-auto bekend is, is voor het hof niet vast te stellen wat de waarde van de groene auto is. Gelet hierop laat het hof de groene auto als referentievoertuig voor beide partijen buiten beschouwing.
Het hof zal daarom in redelijkheid de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bepalen aan de hand van het gemiddelde van de overige twee referentievoertuigen van belanghebbende op een bedrag van € 105.578.De naheffingsaanslag dient derhalve op basis van dit bedrag opnieuw te worden vastgesteld.
Op dit onderdeel is het beroep van belanghebbende gegrond.
III.De waardevermindering wegens schade
4.5.
Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de gestelde waardedaling als gevolg van schade aan de auto, overweegt het hof het volgende. Zowel belanghebbende als de inspecteur hebben zich over en weer beklaagd over formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende (standpunt inspecteur) en het rapport van hertaxatie van DRZ (standpunt belanghebbende). Het hof heeft in een eerdere uitspraak reeds geoordeeld dat het hof geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid en zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ en dat de kennelijke werkwijze van DRZ dat niet anders maakt. Dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, het taxatierapport niet voldoet aan de wettelijke vereisten, er geen sprake is van een gedegen fysieke opname en dat de gemelde schade onvoldoende is onderbouwd, heeft naar het oordeel van het hof evenmin tot gevolg dat aan dat rapport geen enkele waarde kan worden gehecht. Het hof verwerpt daarom de stellingen van belanghebbende en de inspecteur over de formele en/of materiële gebreken aan de taxatierapporten. [4]
4.6.
Ter zake van de schade calculeerde de taxateur van belanghebbende € 44.371 aan schade en bracht daarvan 100% in mindering. De hertaxateur van de Dienst Domeinen calculeerde € 15.484 aan schade en bracht daarvan 72% in mindering.
Belanghebbende stelt dat het grote verschil in de schadebedragen met name wordt verklaard door ontbrekende onderdelen, zoals de achterbank, achtergordels en de bekleding van de achterdeur. Deze onderdelen waren niet aanwezig op 30 juni 2020 volgens de rapportage van zijn taxateur, maar waren wel aanwezig ten tijde van de hertaxatie op 14 juli 2020 bij de Dienst Domeinen. Dit laatste is volgens belanghebbende echter niet relevant, omdat het volgens belanghebbende erom gaat dat de onderdelen niet aanwezig waren ten tijde van de eerste taxatie. DRZ heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Voorts stelt belanghebbende dat zelfs als de ontbrekende onderdelen ten tijde van de BPM-aangifte reeds waren hersteld/aangebracht, dan nog steeds rekening kan worden gehouden met het taxatierapport. Het taxatierapport heeft immers een wettelijke geldigheidsduur van één maand. Het oordeel van de rechtbank dat niet vaststaat of deze onderdelen reeds ten tijde van de BPM-aangifte op 2 juli 2020 aanwezig waren of niet, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, aldus belanghebbende.
De inspecteur wijst er opdat ook in hoger beroep geen aanvullende stukken ter onderbouwing van de door belanghebbende gestelde waardevermindering zijn ingebracht.
4.5.
Het hof overweegt dat van belang is in welke staat de auto was op het moment van het doen van de BPM-aangifte. In hoger beroep heeft belanghebbende geen enkele helderheid verschaft over de vraag of de achterbank met gordels en achterdeurbekleding aanwezig waren in de auto ten tijde van de aangifte op 2 juli 2020 en evenmin over de vraag of dat als een schadepost moet worden beoordeeld dan wel dat deze onderdelen alleen tijdelijk waren verwijderd. Dit had wel op zijn weg gelegen. In dit verband merkt het hof nog op dat de inkoopfactuur enkel als schadepost de motorschade vermeldt wegens het tanken van verkeerde brandstof.
Voorts vermeldt het taxatierapport van belanghebbende bij opmerkingen:
“Ex grijs kenteken (kleinvracht / BB lichte vrachtwagen Belgie) (…)
Import geel kenteken ombouwplicht laadruimte en passagiersruimte en veiligheidsgordels !!!”
Blijkens het taxatierapport wordt de auto standaard met achterbank en toebehoren geleverd. Het lijkt er dan ook op dat de achterbank met toebehoren aanvankelijk is verwijderd in verband met de verkrijging van een grijs kenteken, en dat tussen de twee taxaties in de auto weer is omgebouwd van een (destijds nog BPM-vrije) bestelauto naar een (BPM-belaste) personenauto. Wat hier verder ook van zij, ook in hoger beroep heeft belanghebbende hierover geen helderheid verschaft en heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van de achterbank met toebehoren als een schadepost moet worden beschouwd. Het hof is dan ook evenals de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aan het ontbreken van de achterbank met alle toebehoren een waardevermindering wegens schade moet worden toegekend.
Het standpunt dat het taxatierapport volgens de wet een maand geldig is, kan belanghebbende niet baten, omdat de auto gedurende die maand dan wel in dezelfde toestand moet verkeren, hetgeen hier duidelijk niet het geval is geweest. Immers bij de taxatie door [bedrijf] was de achterbank met toebehoren niet aanwezig en bij de hertaxatie door DRZ wel.
4.6.
Evenals de rechtbank is ook het hof van oordeel dat belanghebbende ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een hoger bedrag aan waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur reeds heeft gedaan. Voorts merkt het hof op dat belanghebbende het door DRZ gehanteerde percentage van 72% waardevermindering niet heeft bestreden, zodat dat vaststaat.
Deze klacht is derhalve ongegrond.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De naheffingsaanslag moet worden vastgesteld uitgaande van een historische nieuwprijs van € 268.208, een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van (€ 105.578 minus € 11.148 =) € 94.430, en een bruto BPM van € 82.575 en een extra leeftijdskorting van € 535. De verschuldigde BPM komt daarbij uit op € 28.537 en de naheffing op € 12.898.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 279 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard. Nu de rechtbank de minister al heeft veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht in beroep (vanwege de toekenning van de immateriëleschadevergoeding) en tegen dat oordeel geen hoger beroep is ingesteld, zal het hof dat onderdeel van de bestreden uitspraak in stand laten.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
4.9.
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. [5] Die onrechtmatigheid bestaat er in dit geval uit dat de inspecteur niet van de juiste handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto is uitgegaan, waardoor de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.10.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) [6] x € 647 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.294.
Ten aanzien van de proceskosten
4.11.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het hoger beroep gegrond is en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
4.12.
Ten aanzien van de proceskosten in beroep geldt dat de rechtbank reeds een beperkte proceskostenveroordeling heeft toegekend vanwege de toekenning van de immateriëleschadevergoeding ter hoogte van € 218,75 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak). [7] Nu het beroep van belanghebbende inhoudelijk gegrond is, heeft belanghebbende recht op een vergoeding van 2 (punten) [8] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814. Aangezien de rechtbank de minister had veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 218,75 en dit oordeel in hoger beroep niet is bestreden, zal de inspecteur worden veroordeeld tot het vergoeden van € 1.595,25.
4.13.
Voor de hoger beroep fase stelt het hof deze tegemoetkoming vast op 2 (punten) [9] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.814.
4.14.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit Pro proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de toekenning van immateriëleschadevergoeding en het griffierecht;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag naar € 12.898;
  • vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof vergoedt van € 279;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.814 onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag van € 218,75;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.814.
De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J.C.E. Ackermans-Wijn
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Artikel 8, lid 5, letter d, Wet op de omzetbelasting 1968.
3.HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45.
4.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:601, r.o. 4.4.
5.Artikel 7:15, lid 2, Awb.
6.1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
7.1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met waarde van € 875 per punt en een wegingsfactor van 0,25.
8.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
9.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.