Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil en conclusies van partijen
II. Komt belanghebbende een beroep toe op het marktonderzoek waarbij de laagste waarde van het referentievoertuig in aanmerking wordt genomen?
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4.Gronden
Ten aanzien van het geschil
Subsidiair stelt belanghebbende dat inspecteur de handelsinkoopwaarde op basis van de door DRZ gehanteerde referentievoertuigen niet correct heeft vastgesteld, omdat het BTW-auto’s betreffen die de waarde onterecht verhogen gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daar komt nog bij dat de inspecteur ten onrechte BTW heeft gerekend over de rest-BPM. Indien dit wordt gecorrigeerd komt belanghebbende subsidiair tot een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 98.762.
De inspecteur heeft een en ander gemotiveerd betwist.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende terecht hiertegen bezwaren heeft aangevoerd. In de geadverteerde prijs van € 119.000 zit een restbedrag aan BPM en daarover wordt géén BTW gerekend. [2] Het hof overweegt voorts dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad [3] volgt dat, om te voldoen aan de in het VWEU gestelde eisen, bij de berekening van de waardedaling van een referentieauto moet worden uitgegaan van de prijs waarvoor de referentieauto door een handelaar van een particulier wordt aangekocht. Voor de berekening van de bedoelde afschrijving mag dus worden uitgegaan van een margeauto. Aangezien er geen marge-auto bekend is, is voor het hof niet vast te stellen wat de waarde van de groene auto is. Gelet hierop laat het hof de groene auto als referentievoertuig voor beide partijen buiten beschouwing.
Het hof zal daarom in redelijkheid de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bepalen aan de hand van het gemiddelde van de overige twee referentievoertuigen van belanghebbende op een bedrag van € 105.578.De naheffingsaanslag dient derhalve op basis van dit bedrag opnieuw te worden vastgesteld.
Op dit onderdeel is het beroep van belanghebbende gegrond.
Belanghebbende stelt dat het grote verschil in de schadebedragen met name wordt verklaard door ontbrekende onderdelen, zoals de achterbank, achtergordels en de bekleding van de achterdeur. Deze onderdelen waren niet aanwezig op 30 juni 2020 volgens de rapportage van zijn taxateur, maar waren wel aanwezig ten tijde van de hertaxatie op 14 juli 2020 bij de Dienst Domeinen. Dit laatste is volgens belanghebbende echter niet relevant, omdat het volgens belanghebbende erom gaat dat de onderdelen niet aanwezig waren ten tijde van de eerste taxatie. DRZ heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Voorts stelt belanghebbende dat zelfs als de ontbrekende onderdelen ten tijde van de BPM-aangifte reeds waren hersteld/aangebracht, dan nog steeds rekening kan worden gehouden met het taxatierapport. Het taxatierapport heeft immers een wettelijke geldigheidsduur van één maand. Het oordeel van de rechtbank dat niet vaststaat of deze onderdelen reeds ten tijde van de BPM-aangifte op 2 juli 2020 aanwezig waren of niet, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, aldus belanghebbende.
De inspecteur wijst er opdat ook in hoger beroep geen aanvullende stukken ter onderbouwing van de door belanghebbende gestelde waardevermindering zijn ingebracht.
Import geel kenteken ombouwplicht laadruimte en passagiersruimte en veiligheidsgordels !!!”
Deze klacht is derhalve ongegrond.
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de toekenning van immateriëleschadevergoeding en het griffierecht;
- verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag naar € 12.898;
- vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof vergoedt van € 279;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.814 onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag van € 218,75;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.814.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).