ECLI:NL:GHSHE:2025:3545

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/1592
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2015 en afkoop pensioenrechten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015. De belanghebbende, die alle aandelen in een BV bezit en tevens directeur is, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag die door de inspecteur is opgelegd. De rechtbank heeft het beroep van de belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. De inspecteur heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Tijdens de zitting op 23 oktober 2025 is de belanghebbende niet verschenen, terwijl de inspecteur wel vertegenwoordigd was door meerdere inspecteurs. Het hof heeft het onderzoek gesloten en de zaak beoordeeld. Het hof oordeelt dat de aanslag tijdig is opgelegd en dat de afkoop van pensioenaanspraken terecht is aangemerkt. Ook is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en heeft de belanghebbende geen recht op een dwangsom. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1592
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 september 2024, nummer BRE 23/3173, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Belanghebbende is niet verschenen. Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1590, 24/1591, 24/1593 tot en met 24/1605.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote). Zij zijn samen eigenaar van het (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] .
2.2.
Belanghebbende houdt alle aandelen in [A BV]
(hierna: [A BV] ) en is tevens directeur van [A BV] . [A BV] heeft een pensioenverplichting jegens belanghebbende. De (fiscale) balanswaarde daarvan bedraagt ultimo 2015 € 229.238.
2.3.
[A BV] heeft schade geleden als gevolg van de bouwwerkzaamheden van een bouwbedrijf. Na een civiele procedure jegens het bouwbedrijf en na faillissement van dat bouwbedrijf hebben partijen op 14/15 januari 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin een schadevergoeding voor [A BV] is overeengekomen van € 692.062,29 (hierna: de schadevergoeding). De schadevergoeding is gestort op een bankrekening ten name van belanghebbende.
2.4.
Belanghebbende is voor het jaar 2015 uitgenodigd tot het indienen van de aangifte IB/PVV. Volgens de aangiftebrief van 28 februari 2016 moet aangifte worden gedaan vóór 1 mei 2016.
2.5.
[de belastingconsulent] (hierna: de belastingconsulent) heeft via de beconregeling uitstel gevraagd voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015 ten name van belanghebbende. Op 21 juni 2016 heeft de Centrale administratie een brief aan de belastingconsulent gericht met als aanhef: ‘
Gewijzigde inleverdatum aangifte 2015 ivm inkorten Uitstel’. In deze brief staat onder meer, voor zover van belang, vermeld:
“U moet voor uw cliënt [belanghebbende] over het jaar 2015 aangifte doen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
U heeft voor het indienen van deze aangifte uitstel gekregen tot 1 mei 2017. Hierbij is aangegeven dat indien de aangifte over het voorgaande jaar niet voor de uiterste termijn wordt ingeleverd, het uitstel alsnog kan worden ingetrokken.
Op 7 juni 2016 hebben wij geconstateerd dat de aangifte over het voorgaand jaar na de uiterste inleverdatum is ingeleverd. Op grond van deze constatering trekken wij het verleende uitstel voor de aangifte in. U krijgt nog minimaal een maand de tijd om de aangifte in te leveren.
Voorkom een Boete
We willen de aangifte van uw cliënt [belanghebbende] graag in behandeling nemen. De aangifte moet dan wel voor 1 september 2016 bij ons binnen zijn. U kunt geen uitstel meer krijgen. (…)”
2.6.
De inspecteur heeft aan belanghebbende op 23 september 2016 een herinneringsbrief en op 4 november 2016 een aanmaningsbrief verzonden waarin is opgenomen dat aan hem uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015 is verleend tot 1 september 2016.
2.7.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2015 op 18 november 2016 ingediend. Volgens deze aangifte bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning € 1.453 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen € 9.826.
2.8.
De inspecteur heeft met dagtekening 16 oktober 2018 een informatiebeschikking aan belanghebbende gegeven met betrekking tot op te leggen aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016. Het hof heeft in de procedure daartegen geoordeeld dat de inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft gegeven. [1] Daarnaast heeft het hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken, gerekend vanaf de dag waarop de uitspraak is verzonden, de in de informatiebeschikking gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.
2.9.
Belanghebbende heeft op 8 juli 2022 aanvullende informatie over de aangifte IB/PVV 2015 aan de inspecteur verstrekt.
2.10.
[A BV] heeft tot aan de Hoge Raad [2] procedures gevoerd over de aan haar voor het jaar 2015 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft de uitspraak van dit hof [3] in stand gelaten. Het hof heeft, voor zover van belang, over de in 2.3. vermelde schadevergoeding in rechtsoverweging 5.6.3 als volgt geoordeeld:
“Het Hof is van oordeel dat belanghebbende [
hof: [A BV]] blijkens de (…) vastgestelde feiten zelfstandig schade heeft geleden en dat daarmee vaststaat dat belanghebbende een vordering in de vorm van een schadevergoeding had op de failliete boedel van het bouwbedrijf. De ontvangen schadevergoeding is een belastbare bate en dient bij belanghebbende in de heffing van vennootschapsbelasting te worden betrokken. Belanghebbendes stelling dat de vordering op het bouwbedrijf is overgedragen aan [belanghebbende] en – naar het Hof begrijpt – vervolgens is afgewaardeerd tot € 1, faalt. [belanghebbende] heeft ter zitting bevestigd dat het bouwbedrijf daadwerkelijk een bedrag van
€ 692.062 heeft betaald op zijn bankrekening. De vordering is derhalve daadwerkelijk voldaan. Zelfs als zou vaststaan dat de vordering van belanghebbende voor een bedrag van € 1 aan [belanghebbende] is overgedragen, hetgeen niet aannemelijk is, dan nog is afwaardering van de vordering tot € 1 niet aan de orde gelet op de door belanghebbende en [belanghebbende] gestelde afspraak dat afwaardering slechts aan de orde is in geval [belanghebbende] niet zal kunnen beschikken over het bedrag van de aan belanghebbende toekomende schadevergoeding.”
2.11.
Bij brief van 13 oktober 2022 heeft de inspecteur belanghebbende meegedeeld dat het verloop van de rekening courant met [A BV] nog steeds niet duidelijk is. Tevens heeft hij toegelicht op welke onderdelen van de ingediende aangifte IB/PVV 2015 zal worden gecorrigeerd.
2.12.
Bij brief van 1 december 2022 heeft de inspecteur aangekondigd op de volgende onderdelen van de ingediende aangifte af te gaan wijken:
Inkomen uit werk en woning:
  • Gebruikelijk loon € 44.000
  • Afkoop pensioen € 317.851
  • Resultaat uit overige werkzaamheid € 692.062
Inkomen uit aanmerkelijk belang:
- Uitdeling € 692.062
Sparen en beleggen:
- Waardecorrectie pand Spegelt € 49.000
Daarnaast heeft de inspecteur aangegeven dat deze afwijkingen tot de volgende berekeningen leiden:
2.13.
Met dagtekening 7 januari 2023 heeft de inspecteur de aanslag overeenkomstig het gestelde in de brief van 1 december 2022 opgelegd. Op het aanslagbiljet staat als toezendadres:
[adres 2]
[postcode] [woonplaats]
2.14.
Belanghebbende heeft in zijn brief van 10 februari 2023, op dezelfde dag ontvangen door de inspecteur, voor zover van belang, geschreven:
“Hiermee maakt belanghebbende bezwaar tegen bovengenoemde aanslag. De redenen daarvoor zijn de navolgende.
Belastingplichtige ontving ivm deze aanslag slechts de mededeling van 18 januari 2023, zijnde de acceptgiro waarmee de belastingdienst belanghebbende dwingt tot betaling van een bedrag groot € 877.200,00 ogv de daarin genoemde aanslag. Die aanslag zelf heeft belanghebbende niet ontvangen. Om die reden kan belanghebbende thans dan ook niet inhoudelijk bezwaar tegen die aanslag formuleren.
Echter, reeds omdat de termijn waarbinnen de aanslag 1B 2015 aan belanghebbende opgelegd kan worden reeds (geruime tijd) is verstreken, dient bovengenoemde aanslag vernietigd te worden.”
2.15.
Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar. De inspecteur heeft de ingebrekestelling op 21 juni 2023 ontvangen. De inspecteur heeft op 4 juli 2023 uitspraak op bezwaar gedaan.
2.16.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2015 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 186.277, naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 132.345 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.826 en de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee verminderd, de revisierentebeschikking gehandhaafd en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
2.17.
Belanghebbende heeft op 30 november 2024 verzocht om ontheffing van betaling van het griffierecht in de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1590, 24/1591, 24/1593 tot en met 24/1596, 24/1597 en 24/1598 tot en met 24/1605. Bij brief van 29 januari 2025 is dit verzoek bij voorlopige beslissing van het hof afgewezen.
2.18.
Belanghebbende heeft bij bericht van 21 augustus 2025 verzocht om uitstel van de zitting van 23 oktober 2025. Dit uitstelverzoek is bij bericht van 10 september 2025 afgewezen. In dat bericht is vermeld dat de afwijzing ter zitting en/of in de uitspraak zal worden gemotiveerd.
2.19.
Belanghebbende heeft op 12 oktober 2025 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer van het hof heeft dit wrakingsverzoek bij beslissing van 16 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van belanghebbende niet in behandeling wordt genomen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de rechtbank mogen beslissen om de behandeling van de zaken ter zitting van 12 juli 2024, in afwezigheid van belanghebbende, te laten plaatsvinden en, zo nee, zijn de daarmee samenhangende uitspraken daardoor ongeldig?
Heeft de rechtbank voldoende gelegenheid geboden aan belanghebbende om het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen en, zo nee, dient het hof die tekortkoming te herstellen?
Is de aanslag IB/PVV 2015 tijdig opgelegd?
Is de aanslag IB/PVV 2015 tijdig bekendgemaakt?
Is de aanslag IB/PVV 2015 terecht en tot de juiste hoogte opgelegd?
Is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase?
Heeft de rechtbank ten onrechte geen dwangsom vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslag IB/PVV 2015 en toewijzing van diverse nevenvorderingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Afwijzing van het beroep op betalingsonmacht
4.1.
Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de hoger beroepsprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van het hof heeft hierin geen aanleiding gezien van heffing van het griffierecht af te zien. Vervolgens heeft belanghebbende het griffierecht betaald.
4.2.
De omstandigheid dat het griffierecht is betaald staat niet in de weg aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht. [4]
4.3.
Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als de vereiste actuele gegevens en bewijsstukken en eventuele nadere informatie binnen de daartoe gestelde termijn zijn ontvangen en op grond daarvan aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan (vanaf 1 januari 2021) 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij dienen het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Het gaat hier om het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn. [5]
4.4.
Op grond van de door belanghebbende overgelegde documenten acht het hof niet aannemelijk dat belanghebbende en zijn fiscale partner niet beschikken over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Het hof wijst daarom het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht af.
Afwijzing van het uitstelverzoek
4.5.
Bij de onder 2.18. vermelde brief heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 23 oktober 2025. Aangezien belanghebbende niet ter zitting is verschenen, zal het hof in de uitspraak motiveren waarom het uitstelverzoek is afgewezen. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van de voortgang van de zaken en het belang van de wederpartij (het algemene belang van een doelmatige rechtsgang) zwaarder wegen dan belanghebbes belang om op zitting te worden gehoord en heeft het verzoek om de zitting te verdagen dan ook afgewezen. Ook in hetgeen in het wrakingsverzoek staat heeft het hof geen aanleiding gezien om de zitting alsnog uit te stellen. Van massale behandeling van zaken is geen sprake, omdat, zoals op 7 mei 2025 is medegedeeld aan belanghebbende, voor het merendeel van de zaken slechts de ontvankelijkheid aan de orde komt en slechts de onderhavige zaak en de zaken 24/1593 tot en met 24/1596 inhoudelijk zullen worden behandeld.
Ten aanzien van het geschil
Vraag a Verzoek om aanhouding
4.6.
Ten aanzien van vraag a, de omstandigheid dat de rechtbank de zaken van belanghebbende in haar afwezigheid heeft behandeld, merkt het hof het volgende op. De gemachtigde van belanghebbende heeft in zijn brief aan de rechtbank van 9 juli 2024 aangegeven dat hij niet in staat is om deel te nemen aan de mondelinge behandeling ter zitting van de rechtbank. Dit is ook de reden dat in diezelfde brief om aanhouding van de zaken (voor onbepaalde tijd) wordt verzocht. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen en in rechtsoverweging 4. tot en met 4.3. van de uitspraak gemotiveerd waarom het uitstelverzoek is afgewezen. Die motivering komt erop neer dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tijdig en om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om aanhouding voor onbepaalde tijd, hetgeen in de weg staat aan een doelmatige procesgang. Hieruit blijkt dat de rechtbank een afweging heeft gemaakt van het belang van (de gemachtigde van) belanghebbende persoonlijk aanwezig te zijn en de redenen waarom dat niet mogelijk is tegenover het algemeen belang van een doelmatige procesgang. De rechtbank heeft daarbij het belang van een doelmatige procesgang terecht zwaarder laten wegen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het juiste beoordelingskader heeft toegepast en de afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend heeft gemotiveerd.
Vraag b Betalingsonmacht
4.7.
.Ten aanzien van vraag b stelt het hof vast dat het beroep op betalingsonmacht door de rechtbank is afgewezen en dat het griffierecht bij de rechtbank tijdig door belanghebbende is betaald. Het hof vindt in het dossier geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van enige tekortkoming van de zijde van de rechtbank bij de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht.
Vraag c Tijdigheid van de aanslag
4.8.
De rechtbank heeft met betrekking tot de tijdigheid van de aanslag het volgende overwogen:
“4.11. Belanghebbende betwist dat het verleende uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015 door of namens hem is verzocht. Daarnaast is het verleende uitstel op 21 juni 2016 ingetrokken. Ook heeft de inspecteur de procedure inzake de informatiebeschikking gebruikt om de aanslagtermijn nodeloos te verlengen. Er is daarom sprake van misbruik van de bevoegdheid en van niet-voortvarend handelen.
4.12.
De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende vier maanden uitstel heeft gekregen voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015. Daarnaast wordt op grond van artikel 52a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de aanslagtermijn verlengd met de periode vanaf de bekendmaking van de tot de belastingaanslag genomen informatiebeschikking waarin wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet of niet volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan tot en met het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan. De informatiebeschikking is op 16 oktober 2018 gegeven en op 1 juni 2022 heeft het Hof uitspraak gedaan inzake deze informatiebeschikking. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof geen cassatie ingesteld en daarmee is op 14 juli 2022 de informatiebeschikking onherroepelijk komen vast te staan. Derhalve dient de aanslagtermijn van drie jaar te worden verlengd met vier jaren en 29 dagen. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2015 uiterlijk op 29 januari 2023 moet zijn vastgesteld, aldus de inspecteur.
4.13.
De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.10 De termijn voor het opleggen van een aanslag wordt eveneens verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking waarin wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet of niet volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan en – voor zover hier van belang – het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan.11
4.14.
Vast staat dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2015. Niet in geschil is dat aangifte, behoudens uitstel, vóór 1 mei 2016 moest worden gedaan. De rechtbank acht aannemelijk gemaakt dat namens belanghebbende door (het kantoor van) de heer [de belastingconsulent] (onder de beconregeling) om uitstel is verzocht voor het doen van aangifte IB/PVV 2015 en dat in beginsel tot 1 mei 2017 uitstel is verleend. De inspecteur heeft daarvoor een lijst ingebracht waarop is af te lezen dat ten name van belanghebbende onder de beconregeling uitstel is gevraagd voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2015. Daarnaast heeft de inspecteur een schermprint ingebracht waarop is af te lezen dat onder de beconregeling tot 1 mei 2017 uitstel voor het indienen van de aangifte ten name van belanghebbende is verleend. Voorts blijkt uit het ABS-systeem van de Belastingdienst dat de aangifte op 18 november 2016 door de inspecteur is ontvangen en dat [de belastingconsulent] in die aangifte als contactpersoon staat vermeld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ermee bekend was dat hem uitstel was verleend.
4.15.
De rechtbank gaat aan de stelling van belanghebbende voorbij dat het verleende uitstel bij brief van 21 juni 2016 (zie 3.4) (volledig) is ingetrokken. Uit deze brief, die aan (het kantoor van) de heer [de belastingconsulent] is gericht, leidt de rechtbank af dat het verleende uitstel tot 1 mei 2017 is ingetrokken, omdat niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan en dat de nieuwe uitsteltermijn eindigt op 1 september 2016. Dit laatste is bevestigd in de brieven van 23 september 2016 en 4 november 2016, waarin letterlijk staat dat uitstel is verleend tot 1 september 2016 (zie 3.5). De rechtbank merkt daarbij op dat, indien het verleende uitstel volledig zou zijn ingetrokken, belanghebbende ten tijde van de brief van 21 juni 2016 al te laat zou zijn geweest met het indienen van de aangifte. Dat laatste is echter gesteld noch gebleken. De rechtbank verwerpt ook het standpunt van belanghebbende dat het uitstel voor het indienen van de aangifte tot 1 september 2016 niet op zijn verzoek is verleend. Belanghebbende heeft om uitstel verzocht tot 1 mei 2017 en heeft uiteindelijk op dat verzoek uitstel verkregen tot 1 september 2016. In dat geval is sprake van op verzoek verleend uitstel.
4.16.
De rechtbank gaat eveneens aan alle standpunten van belanghebbende voorbij over de gegeven informatiebeschikking. Het Hof heeft in de procedure over de gegeven informatiebeschikking beslist dat die terecht is gegeven (zie 3.7). Daarom kan niet worden gezegd dat sprake is van enig misbruik van de bevoegdheid door de inspecteur en dat daardoor niet voortvarend zou zijn gehandeld. De informatiebeschikking is gegeven op 16 oktober 2018 en de uitspraak van het Hof is op 15 juli 2022 onherroepelijk komen vast te staan. De termijn voor het vaststellen van de aanslag wordt dan verder verlengd met een periode van drie jaren, acht maanden en 29 dagen.
4.17.
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, wordt de aanslagtermijn aldus verlengd met vier jaren en 29 dagen, waardoor de aanslagtermijn uiteindelijk eindigt op 29 januari 2023. De aanslag heeft 7 januari 2023 als dagtekening.”
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
“ 10. Op grond van artikel 11, lid 3, AWR.
11. Op grond van artikel 52a, lid 2, AWR.”
4.9.
Het hof onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook indien uitstel wordt verleend voor een kortere termijn dan waarom is verzocht is sprake van een op verzoek verleend uitstel.
Vraag d Bekendmaking aanslag IB/PVV 2015
4.10.
De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de aanslag. [6] Een aanslag is echter niet vastgesteld binnen de daarvoor geldende termijn zoals bedoeld in artikel 11, lid 3, AWR indien het aanslagbiljet weliswaar voor het verstrijken van die termijn is gedagtekend, maar de aanslag niet binnen die termijn op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [7]
4.11.
Bekendmaking van een aanslag vindt plaats door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. [8] Als de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. De bewijslast met betrekking tot (het tijdstip van) de bekendmaking van de aanslag rust bij de inspecteur. [9]
4.12.
Belanghebbende heeft gesteld dat hij de aanslag niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ontvangen. Hij heeft pas kennisgenomen van de aanslag nadat hij op of na 10 februari 2023 daarvan afschriften ontving, onder meer als bijlagen bij het verweerschrift van 2 maart 2023 van de inspecteur in de zaak BRE 23/1155.
4.13.
In de stelling van belanghebbende dat hij de aanslag niet heeft ontvangen, ligt een betwisting van de verzending van de aanslag begrepen. In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanslag tijdig door de inspecteur is verzonden. Indien echter evident sprake is van een ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van de aanslag, wordt de ontvangst daarvan evenals - zonder nader bewijs - de verzending per post genoegzaam aannemelijk geacht zonder bewijs van de verzending van de aanslag. [10]
4.14.
De inspecteur heeft de blote ontkenning van de ontvangst van de aanslag betwist en daarbij tevens een ambtsedige verklaring van een collega-ambtenaar overgelegd waaruit blijkt dat deze de aanslag op 28 december 2022 naar de postkamer van het betreffende belastingkantoor heeft gebracht en daar in een bak voor uitgaande post heeft gelegd. In de hoger beroepsprocedure heeft de inspecteur gesteld dat ook een koppeling kan worden gemaakt tussen de interne formalisering van de aanslag en de uitgaande brief. Hij heeft een verzendrapport overgelegd waaruit blijkt dat op 28 december 2022 een (elektronisch) bericht is geplaatst in het portaal van belanghebbende inzake de definitieve aanslag IB/PVV 2015. In het Aanslag Belastingen Systeem (ABS) is bij uitgaande berichten de definitieve aanslag IB/PVV 2015 geregistreerd. De inspecteur heeft erop gewezen dat de Belastingdienst niet bevoegd is om een aanslag uitsluitend langs digitale weg te verzenden. Volgens de inspecteur kan het dan niet anders dat ook per post het aanslagbiljet tijdig is verzonden, omdat het uitgaande bericht is geregistreerd in ABS en dit proces als einddatum 28 december 2022 heeft.
4.15.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met de ambtsedige verklaring van de collega-ambtenaar gelezen in samenhang met het verzendrapport aannemelijk gemaakt dat de aanslag tijdig en op de juiste wijze bekend is gemaakt. Aan de vraag of sprake is van een geloofwaardige ontkenning van de ontvangst komt het hof dan niet toe.
Vraag e Aanslag terecht en tot de juiste hoogte
Afkoop pensioen
4.16.
Belanghebbende stelt dat de aanslag te hoog is vastgesteld, omdat de schadevergoeding ten onrechte tot het vermogen van [A BV] is gerekend. Van het onttrekken van vermogen aan de BV is volgens belanghebbende dan geen sprake. Evenmin is sprake van afkoop van pensioenrechten, zoals door de inspecteur gesteld en door de rechtbank bevestigd.
4.17.
Het hof stelt voorop dat, gelet op de uitspraak van dit hof van 1 juni 2022 [11] en het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2024 [12] (zie 2.10.) onherroepelijk vaststaat dat de schadevergoeding een belastbare bate is voor [A BV] en bij haar in de heffing van vennootschapsbelasting dient te worden betrokken. Aangezien het bedrag van de schadevergoeding in 2015 is overgemaakt op een bankrekening van belanghebbende en belanghebbende niet heeft gesteld en evenmin is gebleken dat hij voornemens is het bedrag van de schadevergoeding terug te betalen aan [A BV] , heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende dit bedrag aan het vermogen van [A BV] heeft onttrokken. De rechtbank heeft ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende (een gedeelte van) dit bedrag heeft onttrokken als afkoop van pensioenaanspraken in eigen beheer en dat deze afkoop heeft plaatsgevonden in 2015. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende de hoogte van de door de inspecteur gehanteerde afkoopwaarde betwist, maar heeft hij nog steeds nagelaten duidelijk te maken op welk onderdeel de berekening van de inspecteur die ten grondslag ligt aan gehanteerde afkoopwaarde onjuist is. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel met betrekking tot de onttrekking en de afkoop van de pensioenrechten. Dit betekent dat de afkoopwaarde terecht als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking is genomen.
Bewijsaanbod
4.18.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van belanghebbende met betrekking tot de datum waarop de afspraken met de betrekking tot de vaststellingsovereenkomst zijn gemaakt. Belanghebbende is in de uitnodiging voor de zitting gewezen op de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen en op de mogelijkheid om getuigen mee te nemen of op te roepen. Daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Feiten of omstandigheden waaraan de conclusie is te verbinden dat belanghebbende niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt zijn gesteld noch gebleken.
Uitdeling
4.19.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is geweest van een uitdeling van winst (zie 2.12.), maar heeft het bedrag van deze uitdeling verminderd tot een bedrag van € 264.691, onder meer omdat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met de afkoop van de pensioenrechten en de verschuldigde vennootschapsbelasting over 2015 door [A BV] . Gelet op het bepaalde in artikel 2.17 Wet IB 2001 heeft de rechtbank de helft van dit bedrag toegerekend aan belanghebbende en de helft aan zijn echtgenote. Daarbij is de rechtbank voorbij gegaan aan het betoog van belanghebbende dat hij en zijn echtgenote ervoor hebben gekozen om het gehele bedrag aan zijn echtgenote toe te delen, vanwege het ontbreken van een daartoe strekkende verklaring van de echtgenote.
4.20.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende en [A BV] zich bewust waren of hadden moeten zijn dat door het door het in privé ontvangen van het bedrag aan schadevergoeding en het niet terugbetalen sprake is geweest van een winstuitdeling. Belanghebbende heeft de berekening van de uitdeling betwist, maar niet aannemelijk gemaakt dat de berekening van de rechtbank onjuist is. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen verklaring van zijn echtgenote overgelegd waaruit blijkt dat zijn echtgenote de keuze heeft gemaakt om het gehele bedrag van uitdeling aan haar toe te wijzen, zodat het hof geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan de rechtbank.
Vraag f Redelijke termijn
4.21.
Ten aanzien van vraag f merkt het hof op dat uiterlijk op de zitting om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden verzocht. [13] Deze regel lijdt slechts uitzondering indien de redelijke termijn ten tijde van de zitting nog niet was verstreken en eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. [14] Het hof stelt vast dat belanghebbende niet uiterlijk ter zitting van de rechtbank heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade. De situatie waarin de redelijke termijn ten tijde van de zitting nog niet was verstreken en eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, heeft zich in deze zaak niet voorgedaan. Gelet hierop heeft de rechtbank reeds hierom terecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend en was daar ook niet ambtshalve toe gehouden. Overigens was de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank nog niet overschreden.
Vraag g Dwangsom
4.22.
Ten aanzien van vraag g merkt het hof op dat anders dan belanghebbende stelt de rechtbank wel de vraag heeft beantwoord of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. De rechtbank heeft terecht overwogen dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur binnen twee weken na de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar heeft gedaan.
Tussenconclusie
4.23.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.24.
Er is geen reden voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Voor een vergoeding van immateriële schade is evenmin reden, omdat de redelijke termijn voor berechting van de zaak in hoger beroep niet is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.25.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.26.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2262.
2.Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:206.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2236.
4.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.3.1.
5.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.2.4.
6.Artikel 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
7.Vgl. Hoge Raad 18 april 2024, ECLI:NLHR:2014:930.
8.Artikel 8, lid 1, Invorderingswet in verbinding met artikel 3:41, lid 1, Algemene wet bestuursrecht.
9.Vgl. Hoge Raad 18 april 2024, ECLI:NLHR:2014:930.
10.Vgl. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 4 december 2020, ECLI:NL:2020:3732.
13.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.1 en 3.13.2.
14.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2.