ECLI:NL:GHSHE:2025:3004

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
24/24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake belastingheffing over pensioenuitkeringen en de toepassing van het belastingverdrag Nederland-België

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de belastingheffing van pensioenuitkeringen van een belanghebbende die in België woont. De belanghebbende, die van 1969 tot 2004 in Nederland heeft gewerkt en sindsdien pensioenuitkeringen ontvangt, betwistte de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2018 die door de inspecteur van de Belastingdienst was opgelegd. De belanghebbende stelde dat de Belgische belastingaanslag rechtmatig was en dat Nederland geen heffingsrecht had op de pensioenuitkeringen op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België. Het hof heeft geoordeeld dat de inspecteur alle relevante stukken had overgelegd en dat de Belgische aanslag rechtmatig was verkregen. Het hof concludeerde dat Nederland als bronstaat het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen toekomt, omdat aan de voorwaarden van artikel 18 van het belastingverdrag was voldaan. Het beroep van de belanghebbende op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat de inspecteur niet had gewezen op een onterecht heffingsrecht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en het hoger beroep van de belanghebbende werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/24
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (België),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 november 2023, nummer BRE 22/4765, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) over het jaar 2018 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is via Mijn Rechtspraak digitaal gedeeld met de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] verschenen. Voor de zitting heeft belanghebbende laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woont volgens de basisregistratie personen sinds 5 maart 2003 in België na te zijn geëmigreerd uit Nederland.
2.2.
Belanghebbende is van 16 juni 1969 tot 1 juni 2004 – de datum van pensionering – in Nederland in dienstbetrekking geweest bij [bedrijf] . Gedurende deze periode heeft hij pensioenrechten opgebouwd bij de Stichting Pensioenfonds [bedrijf] (hierna: het pensioenfonds). Vanaf 1 juni 2004 ontvangt belanghebbende hieruit periodieke pensioenuitkeringen (hierna: de pensioenuitkeringen).
2.3.
De Belastingdienst / kantoor [plaats] heeft met belanghebbende gecorrespondeerd over de toewijzing van het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen op grond van het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag) [1] in brieven van 22 maart 2007 en 20 mei 2009. In de brief van 22 maart 2007 is – voor zover hier relevant - opgenomen:
"(…) op grond van artikel 18 van het Verdrag met België mag Nederland niet heffen over uw loon uit vroegere dienstbetrekking."
2.4.
In de brief van 20 mei 2009 is belanghebbende geïnformeerd dat zijn [bedrijf] pensioen niet kwalificeert als een overheidspensioen in de zin van artikel 19 Verdrag. Vervolgens is in die brief - voor zover hier relevant - het volgende opgenomen:
“In deze casus betekent dit dat artikel 18, paragraaf 1, onderdeel a, van het belastingverdrag met België het heffingsrecht aan België toewijst.
Ik heb stappen laten zetten om inning van loonheffing en (pseudo) premies volksverzekeringen over uw bedrijfspensioen bij Stichting Pensioenfonds [bedrijf] stop te laten zetten. U ontvangt hiervoor bijgaand een brief van de heer [persoon] met een Vrijstellingsverklaring. Het is de bedoeling dat u deze verklaring zelf doorzendt aan de Stichting Pensioenfonds [bedrijf] .”
2.5.
In 2018 heeft belanghebbende uit Nederland AOW-uitkeringen van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) genoten ten bedrage van in totaal € 9.985 (hierna: de AOW-uitkeringen). Daarnaast genoot hij de pensioenuitkeringen van in totaal € 55.002. Op de AOW-uitkeringen is door de SVB geen loonheffing ingehouden. Op de pensioenuitkeringen werd door het pensioenfonds € 12.077 aan loonheffing ingehouden.
2.6.
Op 29 juni 2019 heeft belanghebbende middels een C-biljet voor buitenlandse belastingplichtigen aangifte IB 2018 gedaan naar een verzamelinkomen van € 55.112. Daarin heeft belanghebbende zowel de AOW-uitkeringen als de pensioenuitkeringen vermeld. Hij heeft ten aanzien van de AOW-uitkeringen een objectvrijstelling geclaimd.
2.7.
Met dagtekening 29 november 2019 is de aanslag IB 2018 geautomatiseerd vastgesteld conform de ingediende aangifte en naar een verzamelinkomen van € 55.112. De inspecteur heeft de pensioenuitkeringen belast. De aanslag IB 2018 bedroeg per saldo nihil, na verrekening van de op de pensioenuitkeringen door het pensioenfonds ingehouden loonheffing.
2.8.
Belanghebbende heeft op 1 december 2019 een nieuwe aangifte IB 2018 ingediend waarmee belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde aanslag IB 2018. Met dagtekening 8 januari 2020 heeft de inspecteur belanghebbende vervolgens verzocht om de Belgische belastingaanslag over 2018 toe te sturen om te kunnen beoordelen of het pensioen in België werd belast. Belanghebbende heeft gereageerd met een brief met dagtekening 27 januari 2020. Belanghebbende heeft daarin aangegeven niet in te gaan op het verzoek van de inspecteur, omdat hij meent dat de inspecteur geen heffingsrecht heeft en de gevraagde informatie daarmee zonder rechtsgrond is.
2.9.
De inspecteur heeft vervolgens op 3 februari 2020 aan een Belgische ambtenaar de vraag gesteld of in België in 2018 belastingheffing heeft plaatsgevonden over het pensioen. Hierop is op 5 februari 2020 de Belgische aanslag personenbelasting over 2018 (hierna: de Belgische aanslag) ontvangen, waaruit volgt dat in België geen personenbelasting is geheven over de pensioenuitkeringen. Uit de reactie van Belgische zijde volgde verder dat belanghebbende in België over de belastbaarheid van de pensioenuitkeringen heeft geprocedeerd en door het Hof van Beroep op 26 juni 2012 voor het aanslagjaar 2007, inkomsten 2006 in het gelijk is gesteld: de pensioenuitkeringen worden in België niet belast.
2.10.
Op 2 september 2022 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard met als reden dat op basis van artikel 18 Verdrag het heffingsrecht toekomt aan Nederland.
2.11.
De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat Nederland het heffingsrecht heeft over de pensioenuitkeringen, dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet zijn geschonden en dat daarom de aanslag IB 2018 tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de pensioenuitkeringen terecht in de heffing zijn betrokken. Meer specifiek betreft het geschil het antwoord op de volgende vragen:
Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
Is de Belgische aanslag rechtmatig door de inspecteur verkregen?
Kwalificeren de pensioenuitkeringen als pensioen in de zin van artikel 18 Verdrag en zo ja, wijst dat artikel het heffingsrecht aan Nederland toe?
Heeft de inspecteur met de brieven van 22 maart 2007 en 20 mei 2009 het vertrouwen gewekt dat ook het heffingsrecht over het pensioen van 2018 aan België toekomt?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en tot het niet betrekken van de pensioenuitkeringen in de heffing. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft overgelegd. Belanghebbende doelt op de volgende stukken:
a) alle opgevraagde en ontvangen gegevens uit België;
b) het stuk dat aanleiding heeft gegeven voor de Nederlandse heffing; en
c) een opdracht van de inspecteur aan het pensioenfonds om weer loonbelasting in te gaan houden op de pensioenuitkeringen.
4.2.
De inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat alle op de zaak betrekking hebbende gegevens zijn overgelegd en heeft daaromtrent, samengevat, het volgende aangevoerd:
ad. a) vanuit België is slechts aan een Belgische ambtenaar gevraagd of in België in 2018 belastingheffing heeft plaatsgevonden over de pensioenuitkeringen, waarna een reactie per e-mail met de Belgische aanslag is ontvangen; en
ad. b en c) het pensioenfonds is als inhoudingsplichtige zelfstandig verantwoordelijk voor een juiste heffing en heeft correct loonbelasting ingehouden en afgedragen. Een opdracht van de inspecteur om loonbelasting in te houden zoals belanghebbende beweert is niet aan het pensioenfonds gegeven, er is hooguit een informatieve brief over de ontwikkelingen in de Belgische rechtspraak verstuurd naar het pensioenfonds. De aangifte IB 2018 is de aanleiding geweest voor de Nederlandse heffing.
4.3.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Artikel 8:42, lid 1, Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft als doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden.
De rechter ziet toe op de naleving van art. 8:42, lid 1, Awb. Indien uit het dossier blijkt dat de door het bestuursorgaan ingezonden stukken niet volledig zijn, dient de rechter het bestuursorgaan op te dragen dat verzuim te herstellen. De rechter is niet gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van stukken die het bestuursorgaan ten onrechte niet heeft overgelegd.
Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht. [2]
4.4.
Het hof is van oordeel dat artikel 8:42 Awb niet is geschonden. Belanghebbende maakt tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk dat meer gevraagde en ontvangen gegevens uit België bestaan dan de e-mail met informatie over de Belgische procedure en de Belgische aanslag. Het hof acht het bestaan daarvan alleen al niet aannemelijk omdat de Belgische aanslag en de informatie uit de e-mail voor de inspecteur voldoende reden was om het bezwaar ongegrond te verklaren (zie 2.9 en 2.10). Het hof begrijpt belanghebbende vervolgens zo dat hij met de hiervoor onder b) en c) genoemde stukken één en hetzelfde stuk bedoelt, namelijk de intrekking van een eerdere vrijstellingsverklaring met daaraan gekoppeld een opdracht aan het pensioenfonds om weer loonheffingen in te houden. Het hof acht het bestaan van een dergelijk document evenmin aannemelijk.
Onrechtmatig verkregen Belgische aanslag?
4.5.
Belanghebbende stelt dat de Belgische aanslag, dat een vertrouwelijk document betreft, onrechtmatig in het bezit van de inspecteur is gekomen; de inlichtingenuitwisseling tussen Nederland en België heeft namelijk niet plaatsgevonden via vastgestelde Europese uitwisselingsformulieren. De inspecteur stelt daarentegen dat de Belgische aanslag rechtmatig is verkregen en dat zelfs als de Belgische aanslag onrechtmatig zou zijn verkregen, dit niet tot een gegrond hoger beroep zou leiden.
4.6.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 29 Verdrag en artikel 16 Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 [3] (hierna: de Richtlijn) heeft de inspecteur de bevoegdheid om voor de belastingheffing relevante informatie op te vragen bij de Belgische autoriteiten. Die bevoegdheid is nader uitgewerkt in de Regeling tussen Nederland en België
inzake de rechtstreekse uitwisseling van fiscale inlichtingen (hierna: de grensregeling). [4]
4.7.
De door de inspecteur in België opgevraagde informatie is relevant voor de uitvoering van artikel 18, lid 2, Verdrag. Bovendien houden de gevraagde inlichtingen verband met de controle op de inkomstenbelasting, een directe belasting, en was de grensregeling ook in het onderhavige jaar van toepassing. De inspecteur heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat de betreffende Nederlandse ambtenaar gemandateerd was om de grensregeling uit te voeren en uit de digitale handtekening bij de e-mail van de Belgische ambtenaar (‘waarin staat vermeld: ‘Gemandateerde grensregeling België – Nederland’) maakt het hof op dat ook de Belgische ambtenaar daartoe gemandateerd was. Uit de grensregeling volgt verder dat ook spontaan gegevens kunnen worden uitgewisseld. Die mogelijkheid duidt erop dat voor het uitwisselen van inlichtingen, anders dan belanghebbende stelt, geen uitwisselingsformulieren vereist zijn. Ook overigens worden aan de vorm voor het uitwisselen van gegevens in de hiervoor onder 4.6 vermelde bronnen geen vereisten van standaardformulieren gesteld. Ook artikel 20 Richtlijn waar belanghebbende naar verwijst, leidt niet tot die conclusie. Weliswaar volgt uit dat artikel dat
voor zover mogelijkgebruik wordt gemaakt van een standaardformulier, maar dat betekent nog niet dat andere manieren van informatie-uitwisseling niet mogelijk zijn, met name in gevallen als deze waarin het gaat om zaak specifieke informatie (in dit geval de Belgische procedure). Bovenstaande leidt het hof tot het oordeel dat de inspecteur op de juiste wijze om inlichtingen heeft verzocht en daarmee dat de ontvangen informatie, waaronder de Belgische aanslag, rechtmatig is verkregen.
Toewijzing heffingsrecht
4.8.
Artikel 18 Verdrag luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. a. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, paragraaf 2, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking, alsmede lijfrenten en uitkeringen – al dan niet periodiek – uit pensioensparen, pensioenfondsen en groepsverzekeringen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar. (…)
2. Niettegenstaande het bepaalde in paragraaf 1, mag een daar bedoeld inkomstenbestanddeel ook worden belast in de verdragsluitende Staat waaruit dit inkomstenbestanddeel afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, indien en voor zover:
a. wat betreft inkomstenbestanddelen als bedoeld in paragraaf 1, subparagraaf a, de aanspraak op dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende Staat waaruit het afkomstig is van belasting is vrijgesteld, dan wel de bijdragen die daarvoor zijn betaald aan het pensioenfonds, pensioenspaarfonds of de vennootschap die het inkomstenbestanddeel verschuldigd is, in het verleden bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in het verleden in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor fiscale faciliëring; en
b. wat betreft inkomstenbestanddelen als bedoeld in paragraaf 1, subparagrafen a en b, dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende Staat waarvan de genieter ervan inwoner is niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet zelfstandige beroepen, dan wel het brutobedrag van dit inkomstenbestanddeel voor minder dan 90 percent, in de belastingheffing wordt betrokken.
Het vorenstaande is echter uitsluitend van toepassing indien het totale brutobedrag van de inkomstenbestanddelen die op grond van het vorenstaande in de verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, belastbaar zouden zijn, in het kalenderjaar een bedrag van 25.000 euro te boven gaat.”
Pensioen?
4.9.
Belanghebbende stelt dat de rechten op de pensioenuitkeringen naar Belgisch recht individueel en definitief verworven zijn en dat alleen al daarom geen sprake is van een pensioen in de zin van artikel 18 Verdrag. De inspecteur is daarentegen van mening dat wel sprake is van pensioen voor de toepassing van artikel 18 Verdrag.
4.10.
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de pensioenuitkeringen loon uit vroegere arbeid vormen waarover Nederland op grond van de nationale wetgeving belasting heft. [5] Vervolgens moet worden onderzocht of Nederland op grond van het Verdrag ook mag heffen. Het begrip ‘pensioen’ staat niet in het Verdrag gedefinieerd. In dat geval moet, nu het gaat om toepassing van het Verdrag door Nederland, op grond van artikel 3, lid 2, Verdrag het begrip ‘pensioen’ volgens de Nederlandse wetgeving uitgelegd worden. Anders dan belanghebbende stelt is dus niet van belang hoe België de pensioenuitkeringen kwalificeert. De Nederlandse fiscale wetgeving kent geen pensioendefinitie. De Pensioenwet kent eveneens geen erg specifieke pensioendefinitie, maar geeft in artikel 1 wel aan dat onder pensioen (onder meer) wordt verstaan een ouderdomspensioen zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen. Uit de door het pensioenfonds gerenseigneerde gegevens volgt dat belanghebbende de pensioenuitkeringen verkrijgt op basis van een door de Nederlandse belastingwetgeving kwalificerende pensioenregeling. [6] Het hof is daarom van oordeel dat sprake is van een pensioen waardoor artikel 18 Verdrag van toepassing is op de pensioenuitkeringen.
Bronstaatheffing?
4.11.
Vervolgens moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 18, lid 2, Verdrag om te bepalen of Nederland als bronstaat mag heffen. De rechtbank heeft hieromtrent als volgt geoordeeld:
“Letter a
Belanghebbende stelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan omdat gedurende de opbouwfase geen sprake is geweest van fiscale faciliëring in Nederland.
De rechtbank overweegt dat het een algemeen bekend feit is dat gedurende de opbouwfase de omkeerregeling van toepassing was (de pensioenpremies aftrekbaar, de latere pensioenuitkeringen belastbaar). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs te leveren dat er gedurende de opbouwfase geen fiscale faciliëring van toepassing was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen enkel concreet verifieerbaar stuk overgelegd om dit aannemelijk te maken.
Letter b
Uit de informatie die de inspecteur heeft verkregen van de Belgische belastingautoriteiten volgt dat de pensioenuitkeringen niet in de progressieve Belgische inkomstenbelasting zijn betrokken.
Aangezien de pensioenuitkeringen in 2018 tevens een bedrag van € 25.000 te boven gaan, is aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het belastingverdrag voldaan. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen aan Nederland is toegewezen.”
4.12.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel is gekomen dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 18, lid 2, Verdrag is voldaan en dat Nederland als bronstaat mag heffen. Het hof maakt dit oordeel tot de zijne. Dat wat in hoger beroep verder nog is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende stelt in hoger beroep nog dat, gelet op de Overeenkomst van 5 maart 2018 [7] (hierna: de Overeenkomst) geen sprake kan zijn van heffing, omdat er sprake is van terugwerkende kracht. Het hof is van oordeel dat de grondslag van het heffingsrecht in de nationale wetgeving en in het Verdrag ligt, en niet in de Overeenkomst. Deze beroepsgrond faalt daarom.
Vertrouwensbeginsel
4.13.
Omdat het hof van oordeel is dat Nederland als bronstaat mag heffen komt ook aan bod of het vertrouwensbeginsel heffing in Nederland over de pensioenuitkeringen in de weg staat. Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel op grond van de inhoud van de brieven van 22 maart 2007 en 20 mei 2009 (hierna: de brieven).
4.14.
De inspecteur is daarentegen van mening dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Belanghebbende mocht uit de standpuntbepaling, waaruit slechts een hoofdregel volgt, namelijk niet begrijpen dat het heffingsrecht ongeclausuleerd werd prijsgegeven. Het wezen van artikel 18, lid 2, Verdrag is dubbele niet-heffing voorkomen, en gelet op de afloop van de Belgische procedure is dubbele niet-heffing een feit geworden. Dan kan er ook geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan, aldus de inspecteur.
4.15.
Het hof stelt voorop dat belanghebbende in België heeft geprocedeerd over de belastbaarheid van zijn pensioenuitkeringen daar. In 2012 heeft hij daar voor het belastingjaar 2006 uitsluitsel over gekregen (zie 2.9.). Uit de inhoud van de brieven volgt niet dat de desbetreffende inspecteurs ervan op de hoogte waren dat deze procedures liepen. In ieder geval kreeg belanghebbende pas na dagtekening van de brieven uitsluitsel. Het hof acht aannemelijk dat de inspecteurs destijds uitgingen van de hoofdregel dat de pensioenuitkeringen in België regulier werden belast. Gelet op deze gewijzigde omstandigheden kan belanghebbende geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de brieven.
4.16.
Voor zover belanghebbende zich beroept op een vrijstellingsverklaring voor de loonbelasting die hij zou hebben ontvangen, geldt het volgende. Onder omstandigheden kan een vrijstellingsverklaring bij een belanghebbende in rechte te beschermen vertrouwen wekken dat de pensioenuitkeringen in Nederland niet in de heffing zullen worden betrokken [8] . Van dergelijke omstandigheden is in dit geval evenwel niet gebleken. Het hof maakt uit de brief van de inspecteur van 20 mei 2009 enkel op dat belanghebbende kennelijk een vrijstellingsverklaring heeft ontvangen. Belanghebbende heeft echter deze vrijstellingsverklaring en eventueel daarop volgende vrijstellingsverklaringen niet ingebracht als gedingstuk. Daarom kan het hof niet beoordelen of belanghebbende ook in 2018, dus na afloop van de Belgische procedure, kon vertrouwen op de vrijstellingsverklaring. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Overige stellingen
4.17.
Voor zover belanghebbende ten slotte nog stelt dat het systeem van het belasten van de uitkeringen in algemene zin in strijd is met diverse beginselen en grondrechten, volgt het hof belanghebbende niet. Het hof acht die stellingen onvoldoende onderbouwd en verwerpt die stellingen.
Tussenconclusie
4.18.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.19.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.20.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Trb. 2001, 136.
2.Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.
3.Betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG.
4.Regeling tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en België met betrekking tot een grensoverschrijdende samenwerking inzake de rechtstreekse uitwisseling van fiscale inlichtingen van 3 januari 2011, DGB 2011/2.
5.artikel 7.2, lid 2, letter b, Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
6.Artikel 18, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964.
7.De Overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland met betrekking tot de toepassing van artikel 18 van het Verdrag, d.d. 5 maart 2018, Stcrt. 2018, nr. 17744, 28 maart 2018.
8.Hof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:269.