Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/302240 / KG ZA 22-68)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven;
- de memorie van antwoord houdende prelimineer en vermeerdering van eis met producties;
- de rolbeslissing van het hof van 24 mei 2022 inzake het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 433 Rv Pro;
- de akte uitlating van de zijde van de man van 7 juni 2022 naar aanleiding van de rolbeslissing van het hof van 24 mei 2022;
- de akte bezwaar van de zijde van de man van 2 augustus 2022;
- de antwoordakte naar aanleiding van de akte bezwaar vermeerdering eis van de zijde van de vrouw van 30 augustus 2022;
- op 30 augustus 2022 heeft de advocaat van de man zich onttrokken. Voor hem heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld;
- op 25 oktober 2022 heeft de advocaat van de man het volledige procesdossier overgelegd.
3.De beoordeling
- het spoedeisend belang (grief I);
- het belang van de vrouw bij nakoming van hetgeen tussen partijen onder 3) van de regeling is overeengekomen (grief II);
- de tegenwerking door de vrouw inzake het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (grief III).
manheeft in zijn akte uitlating gesteld dat het exploot van de dagvaarding in hoger beroep niet binnen acht dagen na betekening daarvan is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Primair dient dit echter niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Subsidiair geldt de niet-ontvankelijkheid niet voor zover de grieven betrekking hebben op de veroordeling mee te werken aan de verkoop en levering en de daaraan verbonden dwangsom. De man heeft deze stellingen als, samengevat, volgt toegelicht.
hofoordeelt als volgt. In het oordeel van de rechtbank dat het vonnis dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de man van de koopovereenkomst, alsmede de leveringsakte van de gezamenlijke woning als bedoeld in artikel 3:300 e.v. BW ligt een veroordeling van de man tot levering besloten (art. 3:301 lid 1 BW Pro). De man heeft het exploot van de dagvaarding in hoger beroep niet binnen acht dagen na betekening ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. De man heeft niet betoogd dat het bestreden vonnis niet kan worden ingeschreven in de openbare registers, hij betoogt slechts dat het bestreden vonnis (nog) niet is ingeschreven.
zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek(curs. hof), geen rechtsmiddel is ingesteld (HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538 alsook HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647). Dit is volgens de Hoge Raad van belang voor de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen. De Hoge Raad vervolgt in zijn arrest van 23 april 2021 in rov. 3.2.2 en verder:
manheeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis omdat de inhoud van de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde. De vordering tot toepassing van lijfsdwang is een zodanig vergaande maatregel dat deze niet in verhouding staat tot het belang van de vrouw. Hij heeft daartegen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, nog geen verweer kunnen voeren. Voor zover de vermeerdering van eis wordt toegestaan, verzoekt de man een termijn voor het nemen van inhoudelijk verweer op de vermeerdering van eis aangezien de vordering tot toepassing van lijfsdwang een zodanig vergaande maatregel is dat deze niet in verhouding staat tot het belang van de vrouw.
vrouwhaar vermeerdering van eis omdat – kort gezegd – de in het verleden opgelegde minder zware sancties niet hebben geleid tot nakoming van de overeenkomst door de man. Indien de goede procesorde eist dat aan de man een separate termijn wordt gegund om inhoudelijk op de eisvermeerdering te reageren, heeft de vrouw daartegen geen bezwaar.
hofoverweegt als volgt. De vrouw heeft haar vermeerdering van eis, tijdig (dat wil zeggen bij memorie van antwoord) ingediend. De man heeft daar bij akte op kunnen reageren. De man heeft uitsluitend bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Hij heeft, terwijl hij daartoe wel de gelegenheid had, niet inhoudelijk gereageerd op de vermeerdering van eis. De man zal daarom niet alsnog in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de vermeerdering van eis. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
manheeft de voorzieningenrechter ten onrechte een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aangenomen omdat de man achterstallig is met de aflossing van de hypotheekschuld. De achterstand op de hypotheekschuld bedroeg in september 2021 slechts € 206,83. Die achterstand heeft hij in september 2021 voldaan. De achterstand in januari 2022 bedroeg € 345,28. Ook deze achterstand is, na overleg met de SNS, op korte termijn door hem betaald. Gelet op deze beperkte omvang van de bedragen en de wijze waarop de achterstand weer is “ingelopen”, is het niet aannemelijk dat executoriale verkoop van de woning zal kunnen plaatsvinden. Bovendien heeft de vrouw vier jaar lang gewacht met de gevraagde voorziening. Hieruit volgt dat zij geen werkelijk spoedeisend belang heeft.
vrouwheeft zij een spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorziening. De man doet voorkomen alsof er slechts geringe betalingsachterstanden jegens de SNS waren (€ 208,83 en € 345,28) maar dit zijn alleen de achterstanden van de gezamenlijke hypotheekschuld van partijen (eindcijfers 538). Uit navraag bij de SNS bleek dat de man een veel grotere achterstand had inzake de tweede hypotheek (eindcijfers 966). De man hield de hoogte van deze betalingsachterstand verborgen voor de vrouw en de rechtbank.
hofstelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van de vrouw voorop dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie HR 31 mei 2002, LJN AE3437, NJ 2003/343 m.nt. H.J. Snijders).
manheeft de voorzieningenrechter ten onrechte in rov. 4.2. overwogen dat de vrouw er belang bij heeft dat uitvoering wordt gegeven aan hetgeen door partijen onder 3) van de regeling van 5 maart 2018 zijn overeengekomen. De man heeft zijn grief als volgt toegelicht.
vrouwheeft de grief weersproken. Zij heeft een hoogst spoedeisend belang bij nakoming van de man van de afspraken om een executieveiling te voorkomen. Zij verwijst daartoe naar de producties 1 en 2 bij haar memorie van antwoord.
hofis van oordeel dat de grief, mede gelet op hetgeen is overwogen bij het spoedeisend belang (rov. 3.7.3 en 3.7.4. hiervóór), geen doel kan treffen. Op basis van de inhoud van de brieven van de SNS van 16 juni 2022 en 29 juni 2022 – waaruit ook blijkt dat de achterstand bij het aflossen van de hypotheek is toegenomen in plaats van afgenomen – heeft de vrouw belang bij nakoming van onderdeel 3) van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst.
vrouwheeft in hoger beroep een vermeerdering van eis (uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang) ingesteld. Zij heeft die vermeerdering van eis als volgt onderbouwd.
manheeft is de vordering tot toepassing van lijfsdwang een zodanig vergaande maatregel dat deze niet in verhouding staat tot het belang van de vrouw.
hofoverweegt als volgt.
NJ1996/122), geen lijfsdwang te worden aangewend (subsidiariteitsvereiste).
vrouwverzoekt om een volledige proceskostenveroordeling (prod. 3 bij mvg) omdat zij door het hoger beroep van de man nodeloos in rechte is betrokken. De man maakt misbruik van procesrecht nu hij het instellen van het hoger beroep, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, vanwege de betrokken belangen van de vrouw, achterwege had behoren te laten. Dit geldt temeer nu de man zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stelling waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
hofis van oordeel dat geen sprake is van misbruik van het procesrecht of van nodeloos procederen door de man. Het staat de man immers vrij hoger beroep in te stellen. Het hof zal daarom, met toepassing van art. 237 Rv Pro in verbinding met art. 353 Rv Pro, de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten in hoger beroep draagt.