Verzoeker heeft in een belastingzaak hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tijdens de mondelinge behandeling op 19 oktober 2023 deed verzoeker geen wrakingsverzoek, hoewel hij toen al op de hoogte was van de feiten en omstandigheden die zijn wraking zouden kunnen rechtvaardigen.
Pas op 8 november 2023, ruim drie weken na de mondelinge behandeling, diende verzoeker schriftelijk een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren van het gerechtshof. Dit verzoek was gebaseerd op vermeende onpartijdigheid van de rechters, waaronder eerdere betrokkenheid van een raadsheer bij een procedure van verzoeker en een bijzondere vraag tijdens de zitting die als een indirecte beschuldiging werd opgevat.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend in strijd met artikel 8:16, lid 1, Awb, dat vereist dat een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de wrakingsgronden wordt gedaan. Er was geen toereikende rechtvaardiging voor het tijdsverloop. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard en is het wrakingsverzoek afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.
De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer benadrukte dat eerdere onenigheid met uitspraken van rechters en kritische vragen tijdens zittingen op zichzelf geen gegronde wrakingsgrond vormen.