Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 71 t/m 77, ingekomen ter griffie op 13 december 2022;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 70 t/m 74, ingekomen ter griffie op 31 januari 2023;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties 1 t/m 59, ingekomen ter griffie op 6 maart 2023;
- de aanvullende producties 77 t/m 79 van [de werknemer] , ingekomen ter griffie op 4 april 2023;
- de akte houdende wijziging van eis van [de werkgever] met productie 75, ingekomen ter griffie op 7 april 2023;
3.De beoordeling
salaris kan ik kort over zijn, dat is akkoord.’
Eens met een verhoging van 7.5% tov het salaris 2019. Niet eens met jouw stelling dat we terugkomen op de ‘belofte’ van 9.5%. Er is sprake van een verwarring die zoals besproken bijzonder vervelend is en hoogst ongelukkig. Zeker aangezien het jou betreft en zeker als je je daarop hebt ingesteld. Maar een verhoging van 9.5% had ik gezien de cijfers niet kunnen goedkeuren.’.
nav ons telefoongesprek gisteren hebben we besloten om je arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ik stuur je komende week een concept vaststellingsovereenkomst toe en wij zullen gezamenlijk een en ander in goed overleg afwikkelen.’.
Betrokkene viel 30 maart uit (…) Aanleiding is in de ogen van betrokken gelegen in een issue tussen hem en de werkgever. (…)
start met 3x2, dus drie dagen van twee uren arbeid’ en daarbij is opgemerkt ‘
Aanvangen: zoveel te eerder, zoveel te beter’.
prima passend’ is. [de werknemer] heeft zich in een e-mail van diezelfde dag aan [de werkgever] beroepen op een opschortingsrecht voor wat betreft zijn re-integratieverplichtingen totdat [de werkgever] zijn loon volledig zou hebben betaald.
er juridische zaken geregeld worden’.
- de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden, primair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), subsidiair wegens verwijtbaar handelen en/of nalaten (e-grond) en meer subsidiair op grond van een combinatie daarvan (i-grond);
- voor recht te verklaren dat [de werknemer] zich ongerechtvaardigd jegens [de werkgever] heeft verrijkt en hem te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 5.772,83 netto en de deurwaarderskosten van € 506,63, te vermeerderen met wettelijke rente;
I. te verklaren voor recht dat hij met ingang van 1 januari 2020 recht heeft op een bruto maandloon exclusief vakantiegeld van € 3.214,71; en verzocht om [de werkgever] te veroordelen tot:
met veroordeling van [de werknemer] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
salaris kan ik kort over zijn, dat is akkoord’.
belofte’ van 9,5%. Hij heeft het in deze e-mail over ‘
een verwarring die zoals besproken bijzonder vervelend is en hoogst ongelukkig’. [de werknemer] heeft die dag een Whatsappbericht naar [leidinggevende] gestuurd en daarin geschreven dat hij en [directeur] het hadden gehad over ‘
de verhoging die we eigenlijk hadden afgesproken. Schaal 8.4’, dat [directeur] het had over ‘
die 2% dat jullie minder willen geven’ en gevraagd waar dit misverstand vandaan kwam. [leidinggevende] heeft in een Whatsappbericht van 5 maart 2020 het volgende geantwoord:
gezegd dat er ongeveer € 150,- bijkomt vergeleken met oude salarissen. Vonden we beiden een nette stijging van grofweg 7,5% en in lijn met de rest. Ik baal er ook erg van dit dat nu onduidelijkheden en spanning op levert.’Na een reactie van [de werknemer] schrijft [leidinggevende] vervolgens nog dat [de werknemer] de schuld bij hem mocht leggen. [de werkgever] heeft niet nader toegelicht hoe [leidinggevende] aan het genoemde bedrag van € 150,- is gekomen, want ook een salarisverhoging van 7,5% zou al neerkomen op € 224,-. Los daarvan neemt dit niet weg dat [de werknemer] het eerdere bericht van [leidinggevende] van 10 februari 2020 al heeft mogen opvatten als een instemming met zijn voorstel voor een loonsverhoging van 9,53%. De nadien tussen partijen gevoerde correspondentie tussen partijen over de loonsverhoging maakt dit niet anders. Het stond [de werkgever] niet vrij om hierop terug te komen.
een verwarring die zoals besproken bijzonder vervelend is en hoogst ongelukkig. Zeker aangezien het jou betreft en zeker als je je daarop hebt ingesteld.’. [de werkgever] verwachtte van [de werknemer] dat hij zou instemmen met een loonsverhoging van 7,5%. [de werkgever] had deze verwarring echter kunnen voorkomen door duidelijk te communiceren met [de werknemer] . Deze verwarring heeft volgens [de werknemer] twee dagen later tot het besluit van [de werkgever] geleid om de arbeidsovereenkomst met hem te beëindigen. [de werknemer] stelt dat de e-mail met deze strekking voor hem een ‘donderslag bij heldere hemel’ was, maar volgens [de werkgever] heeft [de werknemer] zelf hiertoe het initiatief genomen tijdens een gesprek over de salarisverhoging en gezegd ‘
doe maar een voorstel en ik wil stoppen bij [de werkgever] ’. [de werknemer] heeft dit tijdens de zitting in hoger beroep niet (voldoende) weersproken. De bewoordingen in de e-mail van [de werkgever] van 6 maart 2020 aan [de werknemer] bieden steun voor haar standpunt, aangezien daarin staat:
‘Nav ons gesprek afgelopen woensdag en nav ons telefoongesprek gisteren hebben we besloten om je arbeidsovereenkomst te beeindigen. Ik stuur je komende week een concept vaststellingsovereenkomst toe en wij zullen gezamenlijk een en ander in goed overleg afwikkelen.’Ook de e-mail van [de werknemer] van 13 maart 2020 aan [de werkgever] , waarin [de werknemer] in formele bewoordingen reageert op het voorstel van [de werkgever] en een tegenvoorstel doet, geeft geen blijk van enige verbazing over het gedane beëindigingsvoorstel. Het voorstel van [de werkgever] om te komen tot een beëindiging van het dienstverband is in de gegeven omstandigheden dan ook niet verwijtbaar.
ultieme oproep om met elkaar in gesprek te gaan om tot een oplossing te komen (‘spijkers met koppen te slaan’)’, terwijl voor [de werkgever] een rol speelde dat zij zich als gevolg van de coronacrisis binnen een jaar na de bedrijfsovername moest focussen op het voorbestaan van haar bedrijf.
weggegleden in een diepe, diepe burn-out’ en had hij destijds de energie niet meer om zelfs de meest eenvoudige taken uit te voeren en ontbrak voldoende medische begeleiding, maar dit vindt geen steun in de informatie van de Arboarts en bedrijfsarts. De Arboarts heeft in een consultrapport van mei 2020 geschreven dat [de werknemer] was uitgevallen wegens klachten en beperkingen, met name van het persoonlijk functioneren ten gevolge van een niet fysieke stoornis en dat de aanleiding daarvoor in de ogen van [de werknemer] was gelegen in een issue tussen hem en [de werkgever] . De bedrijfsarts heeft in de probleemanalyse van mei 2021 de uitval van [de werknemer] als ‘overwegend werk gerelateerd’ beoordeeld en volgens de bedrijfsarts hield de ontstane conflictsituatie de klachten in stand. Ook uit de informatie van de huisarts en psycholoog blijkt niet dat het al langere tijd slecht ging met [de werknemer] en dit hem verhinderde om enige actie te ondernemen. [de werknemer] heeft naar het hof begrijpt pas begin 2021 (ruim negen maanden na zijn ziekmelding en zeven maanden na de loonstop) zijn huisarts geraadpleegd en psychische bijstand gezocht. [de werknemer] heeft zich tot zijn huisarts en de praktijkondersteuner gewend en is naar een psychologiepraktijk verwezen, die een behandeling heeft opgesteld van 8 tot 12 sessies. Uit een brief van een Gz-psycholoog aan de bedrijfsarts volgt weliswaar dat [de werknemer] medio maart tot en met juni 2021 bij haar in behandeling is geweest voor stemmings- en spanningsklachten, maar ook dit toont niet aan dat [de werknemer] al veel langer met deze klachten kampte en evenmin dat aan [de werkgever] hiervan een rechtens relevant verwijt te maken valt. Het beroep van [de werknemer] op een televisie uitzending waarin aandacht werd besteed aan burn-out klachten, met als strekking dat deze klachten vaak langere tijd niet worden onderkend, kan hem niet baten aangezien hieruit nog niet volgt dat dit bij hem ook aan de orde was.
zoveel te eerder, zoveel te beter’. [de werknemer] heeft in die periode echter tot vier keer toe geen gehoor gegeven aan oproepen van [de werkgever] tot re-integratie bij een klant, terwijl het door [de werkgever] aangeboden werk volgens de bedrijfsarts ‘
prima passend’ was. Het is in die omstandigheden vanuit [de werkgever] bezien voorstelbaar dat zij daarom op 22 juni 2021 wederom een aangekondigde loonstop heeft opgelegd (waarover hierna meer). [de werkgever] heeft vervolgens de loonbetaling hervat, nadat [de werknemer] op 22 juli 2021 alsnog werkzaamheden is gaan verrichten bij een derde in het kader van re-integratie in het tweede spoor.
Spoor 2’ was. [de werknemer] was ondanks dit advies niet bereid om mee te werken aan re-integratie in het tweede spoor, als gevolg waarvan [de werkgever] op 23 september 2021 een tweede loonstop heeft opgelegd. [de werkgever] heeft de loonbetaling hervat nadat [de werknemer] hiertoe op 30 september 2021 alsnog bereid bleek. Dat [de werkgever] deze tweede loonstop heeft opgelegd is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden vanuit het perspectief van [de werkgever] bezien eveneens voorstelbaar. Gelet op de lange duur van het conflict, het gevoerde kort geding en de inhoud van de gevoerde correspondentie was een terugkeer bij [de werkgever] naar het oordeel van het hof niet realistisch. Het standpunt van [de werknemer] dat hij eerst nog in de gelegenheid diende te worden gesteld om een jaar lang re-integratieactiviteiten in het eerste spoor uit te voeren was niet reëel. [de werknemer] heeft geen deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de verschillende loonstops, terwijl hij daarvoor ruimschoots de tijd heeft gehad. De bedrijfsarts heeft vervolgens in een re-integratieadvies van november 2021 ook geschreven dat eigen werkzaamheden niet mogelijk zijn, maar aangepast werk wel, dat hij geen terugkeer van [de werknemer] verwachtte bij [de werkgever] maar wel duurzame inzetbaarheid buiten [de werkgever] en heeft mediation voorgesteld, of als alternatief een voorstel gedaan om de juristen van partijen tot een gezamenlijke oplossing te laten komen. Daarna heeft mediation plaatsgevonden, maar de gesprekken hebben eind 2021 niet tot een oplossing geleid en de mediator heeft het dossier eind 2021 gesloten.
Tijdens arbeidsongeschiktheid/afwezigheid heeft [B.V. 1] B.V. het recht om bepaalde vergoedingen stop te zetten of bedrijfsmiddelen in te nemen, zoals o.a. telefoonkosten- vergoeding, bedrijfsauto, reiskostenvergoeding woon-werk en onkostenvergoeding(…)’.
Wettelijke loondoorbetaling en aanvulling eerste twee ziektejaren
- in de periode van week 1 tot en met week 26 tot 100% van het periodesalaris;
- in de periode van week 27 tot en met week 52 tot 90% van het periodesalaris;
- in de periode van week 53 tot en met week 78 tot 80% van het periodesalaris;
- in de periode van week 79 tot en met week 104 tot 70% van het periodesalaris.
- in de periode van week 1 tot en met week 52 tot 100% van het periodesalaris;
- in de periode van week 53 tot en met week 104 tot 90% van het periodesalaris, tot maximaal het voor de werknemer overeengekomen dagloon.’
€ 492,62 netto, in totaal € 768,99 netto, in mindering kan brengen, zoals hiervoor is beslist.
per kalendermaandte maken, met (een verwijzing naar) onderliggende stukken zoals de bijbehorende loonstroken en betaalbewijzen voor het verschuldigde loon over die betreffende maand. Daarnaast dient zij een overzicht te maken van het verschuldigde vakantiegeld en het tijdstip van betaling hiervan.